Naar hoofdinhoud
1.. Het college kent een individuele voorziening toe indien en voor zover in het gesprek zoals bedoeld in artikel 3.3 of in de gevallen waarin geen gesprek plaatsvindt als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, is vastgesteld dat: de aangevraagde hulp niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt zoals beschreven in de “richtlijn gebruikelijke hulp”, opgenomen in bijlage 1. Bij gebruikelijke hulp is sprake van een bandbreedte die behoort tot het normale ontwikkelingsprofiel. De bovengrens van deze bandbreedte is een uur zorg per etmaal boven de tijd die ouders gemiddeld kwijt zijn aan de zorg voor hun kind. Zolang de omvang van de zorg de bovengrens van deze bandbreedte niet overschrijdt, betreft deze zorg gebruikelijke hulp; een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag; de jeugdige op eigen kracht of met zijn ouder(-s) of andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag. de jeugdige of de ouder(-s) geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening. 2.. Indien er in de periode van zes maanden voordat een jeugdige 18 jaar wordt, geconstateerd wordt dat er aanvullende hulp tussen het 18e en 23e levensjaar noodzakelijk blijft en het huidige WMO aanbod ontoereikend blijkt, wordt er in overleg met de Jeugdprofessional een maatwerkoplossing gekozen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel