Naar hoofdinhoud
1.. Het college kent in aanvulling op de in artikel 2.2 en artikel 3.3. genoemde criteria een persoonsgebonden budget toe als in het gesprek als bedoeld in artikel 3.3 en op basis van een aanvraag als bedoeld in artikel 3.1 is vastgesteld dat: de ouder(-s), al dan niet met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen en in staat zijn te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; voldoende is gemotiveerd dat een individuele voorziening in natura niet passend en toereikend wordt geacht; gewaarborgd is dat de voorziening die met het persoonsgebonden budget betaald wordt van goede kwaliteit is. De hulpvrager moet in de aanvraag weergeven op welke manier hij heeft gecontroleerd dat de voorziening van goede kwaliteit is. 2.. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren: indien aan de jeugdige of zijn ouder(-s) in de afgelopen drie jaren, voorafgaand aan de datum van de aanvraag een persoonsgebonden budget is verleend en waarbij door de jeugdige of zijn ouder(-s) niet voldaan is aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget; voor zover dit bedoeld is voor bemiddelingskosten of administratiekosten in verband met het persoonsgebonden budget; voor zorg buiten de Nederlandse grenzen indien niet redelijkerwijs aangetoond kan worden waarom zorg binnen de Nederlandse grenzen niet geschikt is. 3.. De budgethouder legt verantwoording af over de besteding van het persoonsgebonden budget in overeenstemming met de wet, de verordening jeugdhulp gemeente Noord-Beveland 2015 en deze nadere regels. 4.. Het college kan een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat: de jeugdige en/of zijn ouder(-s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouder(-s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget zijn aangewezen; de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouder(-s) niet voldoen aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget, of; de jeugdige of zijn ouder(-s) het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is. 5.. Het college bepaalt in de beslissing als bedoeld in het vierde lid het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt. 6.. Drie maanden voor afloop van het persoonsgebonden budget vraagt de budgethouder indien nodig een verlenging aan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel