Naar hoofdinhoud
1.. Een gemeente kan uittreden door toezending aan het gemeenschappelijk orgaan van een daartoe strekkend besluit van het college. 2.. Gedurende drie jaren na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk, tenzij gemeenten daar in onderling overleg van afwijken en gemeenten unaniem hiermee instemmen. 3.. Een deelnemende gemeente dient het voornemen tot uittreding uiterlijk twaalf maanden voor de datum van uittreding, schriftelijk gemotiveerd mede te delen aan het algemeen bestuur. 4.. De uittreding vindt, behoudens door de colleges en gemeenteraden van de deelnemende gemeenten geaccepteerde afwijking, plaats op 1 januari van het tweede jaar, volgend op dat waarin het besluit tot uittreding in de registers is ingeschreven. 5.. Indien een gemeente uittreedt, besluiten de colleges van de overige gemeenten over de voortzetting van de gemeenschappelijke regeling en de wijze waarop. 6.. Het gemeenschappelijk orgaan regelt de financiële en overige gevolgen van de uittreding. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de uittredende gemeente de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. 7.. Alle rechten en verplichtingen van het gemeenschappelijk orgaan gaan bij uittreding over naar de uittredende gemeente naar evenredigheid van de grootte van de bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling in het jaar voorafgaande aan de uittreding.

Rechtspraak bij dit artikel