1. De burgemeester acht een hond gevaarlijk, in de zin van artikel 2.59 APV, en legt een aanlijngebod en zo mogelijk een muilkorfgebod voor de hond op aan een houder of eigenaar van de hond, als op grond van een bestuurlijke rapportage van de politie blijkt dat de hond een tweede bijtincident heeft veroorzaakt.
2. De burgemeester acht een hond gevaarlijk, in de zin van artikel 2.59 APV, en legt een aanlijngebod en zo mogelijk een muilkorfgebod voor de hond op aan een houder of eigenaar van de hond als de hond een persoon of een ander dier bijt en daarbij sprake is van een ernstig letsel of ernstige gevolgen.
3. De burgemeester acht een hond gevaarlijk, in de zin van artikel 2.59 APV, en legt een aanlijngebod en zo mogelijk een muilkorfgebod voor de hond op aan een houder of eigenaar van de hond als de hond meerdere keren binnen een periode van twee jaar een persoon of een ander dier bijt, ook als daarbij geen sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen.