Naar hoofdinhoud
1.. Indien in enig geval wordt getwijfeld of de voorgenomen uitoefening van de bevoegdheid in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2, oefent de gemandateerde zijn bevoegdheid niet uit dan nadat hij daarover overleg heeft gepleegd met de heffingsambtenaar. 2.. Het bepaalde in het eerste lid vindt in elk geval plaats indien: de heffingsambtenaar de wens daartoe heeft kenbaar gemaakt; de uitoefening van de bevoegdheid (vermoedelijk) bestuurlijke/ politieke consequenties zal hebben; precedentwerking is te verwachten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel