In aanvulling op artikel 3:21 CAR geldt ten aanzien van reiskostenvergoeding dienstreizen het volgende:
Onder dienstreizen wordt ook verstaan het reizen voor opleidingen.
Voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten geldt dat de locatie van je thuisbasis het beginpunt en het eindpunt is van de dienstreis.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de woning van de medewerker of een andere plaats als beginpunt respectievelijk eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt, tenzij op de heenreis onderscheidenlijk de terugreis de locatie van je thuisbasis wordt bezocht.
Voor dienstreizen dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van het openbaar vervoer. Hiervoor gebruikt de medewerker de ns businesscard van de gemeente. Mochten alle ns businesscards uitgeleend zijn, dan kan de medewerker de kosten op basis van tarief 2e klasse declareren. Bij de declaratie moet een betalingsbewijs vervoerskosten worden ingeleverd.
Indien de dienstreis naar het oordeel van de werkgever niet op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan worden ondernomen, wordt de medewerker toestemming verleend te reizen per eigen motorvoertuig, scooter of (brom)fiets.
Indien de medewerker voor de dienstreis gebruik maakt van een in lid 4 genoemd vervoersmiddel, heeft hij recht op een vergoeding. De vergoeding wordt verleend op declaratiebasis. De vergoeding voor het gebruik van een eigen motorvoertuig bedraagt € 0,31 per afgelegde kilometer, waarvan een wettelijk vastgesteld maximum deel onbelast en het restant belast. De vergoeding voor het gebruik van een eigen scooter of (brom)fiets bedraagt € 0,19 onbelast per afgelegde kilometer. Parkeer-, veer- en tolgelden worden vergoed op declaratiebasis, met overlegging van een betalingsbewijs.
Hoofdstuk
Artikel 17