De baatbelasting is opgenomen in artikel 222 van de Gemeentewet. De heffing kan worden opgelegd bij onroerende zaken die zijn gebaat door voorzieningen die door of met medewerking van de gemeente tot stand zijn gekomen. De heffing is beperkt tot het verhaal van de kosten die zijn gemaakt voor het tot stand brengen van de voorzieningen. De gemeenteraad stelt het gebate gebied vast en de mate waarin de kosten worden verhaald en verdeeld over de onroerende zaken in het gebied. De heffing wordt in een keer opgelegd maar de mogelijkheid bestaat om de betaling over een periode van 30 jaar uit te smeren. De verplichting om te betalen blijft dan aan de onroerende zaak gekoppeld. Wordt een woning dus na 10 jaar verkocht dan is de nieuwe eigenaar de volgende 20 termijnen verschuldigd.
De reikwijdte van de baatbelasting is belangrijk ingeperkt door de inwerkingtreding van de Grondexploitatiewet per 1 juli 2008 als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening. Door inwerkingtreding van deze wet is heffing van baatbelasting niet mogelijk als kosten van voorzieningen zijn of worden verhaald op basis van artikel 6.17 eerste lid van de Wet op de ruimtelijke ordening. Kostenverhaal vindt dan plaats via de omgevingsvergunning of een overeenkomst. Dit betekent dat de baatbelasting dan alleen nog kan worden toegepast buiten de grondexploitatie.
Een tweede wet waardoor het belang van de baatbelasting afneemt, is de wet op de bedrijfsinvesteringszones (Wet BIZ). Een BIZ is een door de gemeente aangewezen gebied waarbinnen van alle ondernemers een bestemmingsheffing (BIZ-bijdrage) wordt geheven ter financiering van de door de ondernemers in dat gebied gewenste voorzieningen. Een Bedrijven Investeringszone (BI-zone) maakt het voor ondernemers mogelijk om gezamenlijk te investeren in een veiligere en aantrekkelijkere bedrijfsomgeving.
Naast genoemde wetgeving zorgt ook de jurisprudentie voor een beperking van mogelijkheden om baatbelasting te heffen.
De baatbelasting moet worden ingevoerd tijdens de realisatie of uiterlijk binnen twee jaar na de voltooiing van de voorzieningen. Dit betekent dat latere wijzigingen in de voorzieningen, maar ook belastingobjecten die pas op een later tijdstip bij de voorzieningen zijn gebaat, nooit alsnog bij de heffing betrokken kunnen worden.
Artikel 222 verplicht dat de raad vooraf een zogenaamd bekostigingsbesluit moet nemen, waarin een duiding van de te realiseren voorzieningen, er mee gemoeide en te verhalen kosten, alsook een duiding van het gebate gebied wordt vastgelegd onder een dergelijk besluit, dat overigens moet zijn genomen vóór de feitelijke aanvang van de te treffen voorzieningen.
Daarbij moet gezegd worden dat er behoorlijk strenge jurisprudentie is gewezen over het begrip ’gebaat zijn door de voorzieningen’. De uitleg hiervan heeft een belangrijke beperking aan de toepassing van de baatbelasting gegeven en de heffing wordt vrijwel niet meer toegepast. De baatbelasting kent veelbelovende elementen. Echter, in veel gevallen is er juridische onduidelijkheid of de onroerende zaak daadwerkelijk is gebaat.
Onze verwachting is dan ook dat de perceptiekosten van deze belasting hoog zullen zijn en de juridische onzekerheid hoog.
Tenslotte willen wij nog vermelden dat er op dit moment initiatieven worden ontwikkeld in het kader van woning gebonden financiering van woningverduurzaming door middel van baatbelasting. Bij deze initiatieven wordt geprobeerd de belangrijkste fiscaal juridische knelpunten van de baatbelasting op te heffen om zodoende de baatbelasting in te zetten voor bekostiging van verduurzaming. Deze ontwikkelingen staan op dit moment nog in de kinderschoenen.
Wij vinden het op dit moment nog te vroeg om een uitspraak te doen over de bruikbaarheid van dit instrument. Wij zien dan ook op dit moment geen aanleiding om deze heffing te gaan toevoegen aan ons gemeentelijk belastinggebied.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.1
Baatbelasting
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Krimpen aan den IJssel houdende regels omtrent lokale heffingen 2019