Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1.

Artikel 1.

Begripsbepalingen

Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Terschelling 2019

Deze verordening verstaat onder: a. archeologisch monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd archeologisch monument aangewezen terrein als bedoeld in onderdeel l, onder 2; b. beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; c. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; d. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling; e. dorpsgezicht: een gebied bestaande uit een groep onroerende zaken, gevormd door elementen zoals gebouwen, wegen, pleinen, bruggen, dijklichamen, waterwegen, bomen en groenstructuren en dat wegens haar schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel betekenis voor de wetenschap en/of (cultuur)historische waarde, van belang is voor de gemeente én waarin zich minstens één rijks- of gemeentelijk monument bevindt; f. gebied met een hoge archeologische waarde: zone die op de gemeentelijke FAMKE staat aangegeven als “streven naar behoud” en “waarderend onderzoek – terpen”, waar op basis van historische bronnen en archeologisch onderzoek een hoge dichtheid van archeologische waarden bekend is; g. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaak als bedoeld in onderdeel l, onder 1 en dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; h. gemeentelijke erfgoedregister: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel l, dorpsgezichten bedoeld in onderdeel e, immaterieel erfgoed bedoeld in onderdeel j en roerend erfgoed bedoeld in onderdeel r; i gemeentelijke FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra van de gemeente Terschelling, bestaande uit een kaart van het gemeentelijk grondgebied voor de periode ‘ijzertijd- middeleeuwen’ waarop gebieden met een hoge archeologische waarde en gebieden met een archeologische verwachtingswaarde zijn aangewezen. Zolang de gemeentelijke FAMKE niet is vastgesteld geldt voor het grondgebied van de gemeente Terschelling de kaart voor de periode ‘midden bronstijd –middeleeuwen van de (provinciale) FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra); j immaterieel erfgoed: ‘levend erfgoed’. Het omvat sociale gewoonten, voorstellingen, rituelen, tradities, uitdrukkingen, bijzondere kennis of vaardigheden die gemeenschappen en groepen (en soms zelfs individuen) erkennen als een vorm van cultureel erfgoed. Een bijzonder kenmerk is dat het wordt overgedragen van generatie op generatie en belangrijk is voor een gemeenschappelijke identiteit (definitie UNESCO); k. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; l. monument: 1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, waaronder onroerende zaak, die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; 2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1; m. monumentencommissie: de op basis van art.15, eerste lid, Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid; voor de gemeente Terschelling is deze monumentencommissie gecombineerd met de welstandscommissie in de Centrale Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (CARK); n. omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht o. plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; p. programma van eisen: programma dat de verstoorder laat opstellen en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; q. redengevende beschrijving: de basis voor plaatsing van een object, gebied of gebruik op de gemeentelijke erfgoedlijst; de redengevende beschrijving bestaat minimaal uit een: 1. inleiding: over de situering en historische ontwikkeling van het object, gebied of gebruik; 2. omschrijving: de architectuurhistorische, kunsthistorische, cultuurhistorische en/of cultuurlandschappelijke beschrijving van het object, gebied of gebruik, én; 3. waardering: waarin de architectuurhistorische, stedenbouwkundige, cultuurhistorische en cultuurlandschappelijke waarden benoemd worden die voor dat specifieke object, gebruik, gebied of die structuur van belang zijn en waarbij de waarderingscriteria uit bijlage 1 (monumenten en roerend erfgoed), bijlage 2 (dorpsgezichten) en bijlage 3 (immaterieel erfgoed) zijn gehanteerd; r. roerend erfgoed: niet-grondgebonden objecten van grote lokale (cultuur)historische waarde, zoals (objecten uit) museumcollecties, archeologische vondsten, schepen, voertuigen; s. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; t. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel