Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 22.

Inwerkingtreding

Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2019

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na publicatie en werken terug tot en met 1 april 2019, en vervangen de bestaande beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Pekela 2016. Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pekela op 2 april 2019. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1. In de definitiebepaling onder artikel 1 wordt uitleg gegeven over afkortingen van de wetten waarop de bevoegdheid van het college is gebaseerd en wordt nader ingegaan op een aantal begrippen. Artikel 2. Het tweede artikel bevat de wijze waarop in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering, invordering en brutering. Het moet bij dringende redenen onder d gaan om uitzonderlijke, niet in het algemeen voorzienbare omstandigheden van de belanghebbende, voor zover terugvordering zou leiden tot onaanvaardbare consequenties voor die belanghebbende. Afzien van terugvordering kan alleen in incidentele gevallen, gebaseerd op een individuele afweging van relevante omstandigheden. Zowel financiële als immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen. Artikel 3. In artikel 3 staan de algemene - binnen de jurisprudentie geformuleerde - uitzonderingen op de in artikel 2 genoemde hoofdregel beschreven. Het gaat hier om situaties waarvan binnen de jurisprudentie is komen vast te staan dat het college ongeacht een verplichting tot terugvordering dan wel brutering dient af te zien van haar vaste gedragslijn. Het college heeft in deze niet de vrijheid om van deze in de jurisprudentie benoemde uitzonderingen af te wijken. Het gaat meer specifiek om: a) De zes-maanden jurisprudentie De zes-maanden jurisprudentie komt er kortheidshalve op neer dat de gemeente binnen zes maanden nadat zij een signaal heeft ontvangen, over dient te gaan tot aanpassing van het recht op uitkering. Een signaal kan daarbij worden gedefinieerd als relevante informatie over de uitkeringsgerechtigde waaruit het college dusdanig concreet kan afleiden dat sprake is van een fout, dat het college op grond daarvan actie had moeten ondernemen. Vindt geen aanpassing van het recht op uitkering plaats binnen de genoemde zes maanden, dan dient het college van terugvordering af te zien voor het deel dat na deze zes maanden nog te veel aan uitkering is verstrekt. b) Beperkte overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd De situatie kan bestaan dat betrokkene over een vermogen beschikt dat in beperkte mate de vermogensgrens overstijgt. Het college is dan in wezen gerechtigd om de bijstand over de gehele periode van de overschrijding in te trekken, rekening houdend met de zes-maanden-jurisprudentie. Vaste jurisprudentie is echter dat in deze situatie het bedrag van de terugvordering dient te worden beperkt tot het bedrag dat niet zou zijn verstrekt indien de gevolgen van de beperkte overschrijding van de vermogensgrens tijdig zouden zijn verwerkt. Dit komt neer op het bedrag waarmee de vermogensgrens overschreden is. c) Afzien van brutering Brutering houdt in het verhogen van de netto-uitkering met loonbelasting en premies volksverzekeringen. Naar vaste rechtspraak dient te worden afgezien van brutering, indien sprake is van a) een vordering die is ontstaan buiten toedoen van een betrokkene of b) hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Artikel 4. In hoofdstuk 2 wordt nader uitgewerkt onder welke omstandigheden het college geheel of gedeeltelijk afziet van terugvordering. In verband met de invoering van de Fraudewet komen fraudevorderingen enkel in de bij wet geregelde situaties (artikel 58, lid 7 van de Participatiewet en artikel 25, lid 6 van de IOAW en IOAZ) voor kwijtschelding in aanmerking. Het bepaalde in hoofdstuk 2 is daarom niet van toepassing op fraudevorderingen, met uitzondering van artikel 7. Artikel 5. In artikel 5 staan de bepalingen over kwijtschelding als gedurende een bepaalde periode is voldaan aan een opgelegde betalingsverplichting. Met de onder e genoemde mogelijkheid tot afkoop van 50% van de rest-som tegen finale kwijting van het restant wordt zeer terughoudend omgegaan. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruikt gemaakt in situaties waarin tevoren vrijwel vast staat dat de reguliere wijze van invordering minder oplevert dan datgene dat met afkoop van 50% van het restant kan worden geïncasseerd. Met lid 5 wordt bedoeld de minnelijke regeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel 6. Op de hoofdregels in artikel 5 zijn uitzonderingen geformuleerd in artikel 6. Een eerder op basis van artikel 5 verleende kwijtschelding kan worden ingetrokken indien later blijkt dat deze intrekking is gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van belanghebbende. Artikel 7. Als de terug te vorderen uitkering (hoofdsom) niet boven € 150,00 uitkomt, ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit. Dit is in het belang van de cliënt, voorkomt verdere schulden. Daarnaast is dit gebaseerd op een kosten/baten-afweging. Artikel 8. In dit artikel geeft het college aan onder welke voorwaarden medewerking wordt verleend aan een eventuele schuldregeling. Zoals al eerder aangegeven is wettelijk bepaald (artikel 60c Participatiewet c.q. artikel 29a van de IOAW en IOAZ) dat geen medewerking aan de totstandkoming van een schuldregeling kan worden verleend bij een fraudevordering waarvoor een boete is opgelegd of aangifte is gedaan, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering. Dit laat onverlet dat er bijvoorbeeld wel uitstel van betaling voor de fraudevordering zou kunnen worden verleend om een schuldregeling voor de overige vorderingen mogelijk te maken. Verder verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien: • de vaststelling dat op gronden van redelijkheid en billijkheid van de schuldenaar niet langer gevergd kan worden dat hij de schuld (volledig) voldoet; dan wel • de vaststelling dat wanneer het college bij de aanwezigheid van meerdere schuldeisers vasthoudt aan zijn eigen vordering c.q. vorderingen, een schuldregeling niet tot stand komt; en • de bijkomende voorwaarde dat de vordering van het college wel naar evenredigheid zal worden voldaan. Verder benoemt het college gronden op basis waarvan zij haar medewerking aan een schuldregeling intrekt. Zoals het niet voldoen aan de verplichtingen in het kader van de schuldregeling of dat de schuldregeling tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van de schuldenaar. In hoofdstuk 3 wordt een uitwerking gegeven van de wijze waarop de vordering wordt ingevorderd. Met betrekking tot de invordering van fraudevorderingen, alsmede de daarmee samenhangende boete, is enkel bepaald dat verrekening verplicht is voor zover dit mogelijk is omdat aan betrokkene een Participatiewet, IOAW, IOAZ dan wel Bbz-uitkering wordt verstrekt. Op andere vlakken heeft het college beleidsvrijheid. Artikel 9. Met dit artikel kan het college besluiten om onder voorwaarden af te zien van verdere invordering uit doelmatigheidsoverwegingen. Artikel 10. In dit artikel staan de hoofdregels over het gebruik van de bevoegdheid van het college tot invordering volgens de wet en deze beleidsregels. Artikel 11. Voor zover betrokkene na afgifte van het terugvorderingsbesluit een uitkering ontvangt in het kader van de Participatiewet, IOAW of IOAZ is het college bevoegd om tot verrekening van de vordering over te gaan. Het college gaat direct tot verrekening over. Zoals al eerder aangegeven geldt voor fraudevorderingen ontstaan na 1 januari 2013 en de daarmee samenhangende boete een verrekening plicht. Dit artikel gaat daarom niet over deze vorderingen. Artikel 12. In beginsel rust op betrokkene de verplichting om de gehele vordering binnen de geboden betalingstermijn te voldoen. Het college is echter bevoegd om betrokkene uitstel van betaling te verlenen en daaraan voorwaarden te verbinden. In artikel 11 staan deze bepalingen vermeld. Artikel 13. In dit artikel wordt de hoogte van de maandelijkse aflossing bepaald. Indien belanghebbende een uit¬kering ontvangt wordt er een onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen of samenloop met beslag door derden (10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld) en andersoortige vorderingen (6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld). Hier vindt aansluiting plaats bij het gemeentelijk bijzondere bijstandsbeleid. Artikel 14. Om praktische redenen kan een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende achterwege blijven indien de belanghebbende aan de gemeente een betalingsvoorstel doet waardoor de schuld binnen 36 maanden is afbetaald. Indien het gaat om een fraudevordering dan wel belanghebbende in het verleden herhaaldelijk zijn betalingsverplichting niet afdoende is nagekomen, kan de gemeente besluiten om niet op het betalingsvoorstel van belanghebbende in te gaan en alsnog een aflossingsverplichting te hanteren in overeenstemming met artikel 13 van deze regeling. Artikel 15. In dit artikel wordt de hoogte van de maandelijkse aflossing bepaald op basis van draagkracht en inkomsten. Het aflossingsbedrag dat is opgenomen in een terug- of invorderingsbesluit geldt als aflossingsverplichting. In bijzondere situaties en incidentele situaties kan de vordering op grond van lid 4, aanhef en onder b lager worden vastgesteld. Dit wordt gebaseerd op een individuele afweging van relevante omstandigheden. Zowel financiële als niet-financiële (immateriële) omstandigheden kunnen een rol spelen. Artikel 16. Wanneer het college akkoord gaat met uitstel van betaling, bepaalt het college: • op grond van welke criteria periodieke draagkrachtonderzoeken worden gestart; • welke resultaten uit een draagkrachtonderzoek bepalend zijn voor de vraag of een opgelegde maandelijkse betalingsverplichting wel of niet wordt gewijzigd. Artikel 17. Niet alleen het college heeft de bevoegdheid tot wijziging van de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend, ook een schuldenaar kan daartoe een verzoek indienen bij het college. Het college legt in dit artikel de criteria vast wanneer een dergelijk verzoek in beginsel wel of juist niet (bij voorbeeld bij het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen) wordt toegekend alsmede welke pro¬cedurele eisen hiervoor gelden. Artikel 18. Wanneer een schuldenaar zijn betalingsverplichting niet nakomt of de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend schendt en de oorspronkelijke betalingstermijn is verstreken, is betrokkene in verzuim als bedoeld in artikel 4:97 Awb. Artikel 4:112 e.v. van de Awb bepaalt dan de verdere invorderingsprocedure, te weten de invordering door middel van aanmaning en dwangbevel. Ook executoriaal beslag op basis van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is mogelijk. Artikel 19. Dit is een bevoegdheid van het college.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel