Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 onder d van de APV kan een vergunning worden ingetrokken, als:
De standplaats gedurende drie achtereenvolgende weken of gedurende drie maal per kwartaal niet wordt ingenomen, gevallen van overmacht en incidentele standplaatsen uitgezonderd.
Een standplaatsvergunning kan worden ingetrokken, als het gebied waarbinnen de standplaatslocatie zich bevindt, anders wordt ingericht zodat de vergunde locatie komt te vervallen.
Op het moment dat het voornemen tot intrekking van de vergunning op basis van lid 2 kenbaar wordt gemaakt aan de rechthebbende, treedt het college in overleg met de rechthebbende voor een alternatieve standplaatslocatie.
Als gevolg van een ingetrokken vergunning als bedoeld in lid 1 een vaste standplaats vrijkomt, vindt bekendmaking hiervan plaats via de wijze zoals bepaald in artikel 2.2, eerste lid.