Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.3

Citeertitel

Onderdeel van Beleidsregels standplaatsen gemeente Venray

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels standplaatsen gemeente Venray’. Aldus besloten in de vergadering van 25 februari 2019 Burgemeester en wethouders, de burgemeester, de secretaris Toelichting Beleidsregels standplaatsen gemeente Venray Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1 Algemeen De vis-, loempia-, oliebollen- en kaaskramen zijn niet meer weg te denken uit het Nederlandse straatbeeld. Standplaatsen zorgen voor extra werkgelegenheid en levendigheid in het centrum. Dit kan een goede bijdrage leveren aan de economie en het woon- en leefklimaat. De standplaatsen in de wijken en dorpen zijn een verrijking van het voorzieningenaanbod. Vanuit het oogpunt van openbare orde (bijvoorbeeld verkeersveiligheid, bescherming woonomgeving, handhaving van de centrumfunctie) is regulering gewenst. Het gebruik van openbare grond is immers onderhevig aan beperkingen die de overheid moet opleggen, wil er sprake zijn van een beheer dat de gehele gemeenschap ten goede komt. Om een goed gefundeerd, helder en consistent beleidskader voor het standplaatsenbeleid tot stand te brengen, gelden de volgende uitgangspunten voor het beleid: openbare orde en veiligheid handhaven; het voorkomen van ongewenste situaties op het gebied van openbare orde, verkeersveiligheid en uiterlijk aanzien van de omgeving; het in stand houden van een door de jaren heen ontstane evenwichtssituatie wat betreft het aantal standplaatsen en de locatie van standplaatsen. De uitgangspunten leiden tot een aantal concrete voorschriften, waaronder de standplaatsvergunningen worden verleend. Dit betekent dat alleen een vergunning kan worden verleend, indien aan alle voorwaarden wordt voldaan. Een standplaats kan, naast een meerwaarde hebben voor een locatie, op sommige locaties ook onveilige situaties veroorzaken. Het huidige standplaatsenbeleid dateert uit 2009 en is niet langer als actueel te beschouwen. Dit kan leiden tot knelpunten in de uitvoering van het beleid. De wet- en regelgeving is veranderd. Onder andere met de komst van de Europese Dienstrichtenlijn en de daarvan afgeleide Dienstenwet, is in het kader van schaarse vergunningen de nodige jurisprudentie uitgesproken die ook verband houden met het afgeven van vergunningen voor standplaatsen. De Europese Dienstenrichtlijn wordt in hoofdstuk 5.4 nader toegelicht. Derhalve is het gewenst het beleid te actualiseren. 1.2 Doel van dit beleid Het opstellen van voorliggende beleidsnota heeft als doel: Duidelijkheid Aanwijzen locaties Lastenverlichting Duidelijkheid Het huidige beleid regelt in feite waar en wanneer in de gemeente Venray standplaatsen ingenomen kunnen worden. Een nadere invulling van de werkwijze en het toetsingskader ontbreekt. Door het opnemen van een aantal afspraken daarover wordt duidelijkheid gecreëerd naar de aanvragers van een vergunning en zorgt dit ook voor meer efficiency in de uitvoering door de gemeente. Naast een aantal algemene bepalingen zijn in het beleid ook een aantal keuzes gemaakt in de wijze waarop we als gemeente Venray willen omgaan met de verschillende soorten standplaatsen. In het nieuwe beleid wordt daarom een onderscheid in 5 categorieën standplaatsen gemaakt. Deze categorieën zijn: vaste standplaats; Incidentele standplaats; Seizoensgebonden standplaats; Non-profit standplaats; Maatschappelijke standplaats. Locaties De vaste standplaatslocaties worden in het nieuwe beleid opgenomen in een overzicht. Deze locaties worden aangegeven op een kaart waarop ook de aanwezige voorzieningen in de legenda terug te vinden zijn. Lastenverlichting Met vaststelling van dit beleid worden de standplaatsvergunningen voor de duur van maximaal vijf jaar verleend. Deze keuze leidt tot meer rechtszekerheid bij de ondernemers en een administratieve lastenverlichting aan de kant van de gemeente. Tot slot Met het nieuwe beleid beogen we als gemeente randvoorwaarden te creëren, voor een waardevolle aanvulling op en diversiteit ten opzichte van het bestaande voorzieningenniveau. Er is met name gekeken naar het bieden van mogelijkheden voor het innemen van een standplaats. Tegenover het economische belang van de ondernemers staan de belangen die de gemeente moet bewaken. We willen een goede balans vinden tussen de verschillende belangen. Het beleid reguleert de voorwaarden waaronder dat kan plaatsvinden. Hoofdstuk 2. Definitie Standplaatsen Onder het begrip standplaats wordt verstaan: het op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere wijze – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel standplaats innemen of hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken dan wel diensten aan te bieden (artikel 5:17 Algemene plaatselijke verordening (Apv). Voorbeelden hiervan zijn de verkoop van snacks, verkoop van bloemen, kentekens graveren of herstellen van autoruiten. Marktplaatsen Marktplaatsen vallen niet onder deze beleidsnota. Hiervoor geldt de Marktverordening en het Marktreglement. Sampling is het uitdelen van proefmonsters of kleinere uitgaven van een product met als doel om de klant kennis te laten maken met het product. Dit kan zowel in de vorm van venten als vanuit een vaste standplaats. Venten valt niet onder het standplaatsenbeleid. Venten In artikel 5:15 van Apv is de ventvergunning komen te vervallen. Onder venten verstaan wij het verkopen van goederen of leveren van diensten van huis tot huis of op straat, zonder vaste plaats. In de Apv is wel een verbod opgenomen dat men niet tijdens bepaalde dagen/tijden mag venten. Uit de jurisprudentie volgt dat de venter zijn waren voortdurend moet aanbieden vanaf een andere plaats en mag alleen een korte periode stilstaan om zijn klanten te bedienen, anders is sprake van standplaatsinname. Dit betekent dat de venter bijvoorbeeld niet langer dan 10 minuten achtereenvolgend stil mag staan op een locatie en een volgende locatie dient ten minste 100 meter verder te liggen dan de vorige locatie (met uitzondering van huis-aan-huis). Eenzelfde locatie, of binnen 100 meter daarvan, mag niet binnen twee uur opnieuw worden ingenomen. Voorbeelden hiervan zijn een rijdende winkel, zoals de voormalige SRV-wagen, een ijscowagen, een rondrijdende groenteboer. Ook het op straat aanbieden van een kranten- of tijdschrift abonnement, of een energie- of telecomprovider. Er is dan soms geen fysieke standplaats, maar wel (vaak meerdere) verkopers in winkelstraat. Aanverwant is het op dezelfde wijze werven voor een goede doel. 2.1 Meerwaarde van standplaatsen Standplaatsen kunnen, bij een goede ruimtelijke spreiding en situering, net als winkels een positieve bijdrage leveren aan het voorzieningenniveau voor de consument (verrijking van het aanbod). Voorwaarde voor succesvolle standplaatsen zijn: de standplaats bevindt zich op een locatie waar de ondernemer kan functioneren en investeren (bedrijfseconomisch belang); de economisch gezonde en eigentijdse standplaats vormt een aanvulling op het voorzieningenniveau van de consument; de verzorgde en attractieve standplaats draagt bij aan een levendig straatbeeld (verbetering van het woon- en leefklimaat van de inwoners, sociale veiligheid). 2.2 Sturing mogelijk door beleid 2.2.1 Sturing op locatie Door keuzes te maken op basis van ruimtelijk-economische argumenten kan een goede spreiding van standplaatsen over de gemeente worden gerealiseerd. Waar hebben standplaatsen een toegevoegde waarde? Waar leveren ze een positieve bijdrage aan het totale voorzieningenniveau? Waar zijn ze mogelijk een aanvulling op de bestaande of beoogde winkelstructuur? Door op basis van ruimtelijk-economische uitgangspunten de gewenste spreiding en locaties voor standplaatsen te bepalen, wordt een duurzame ruimtelijke structuur nagestreefd waarin ondernemers willen investeren. Dit leidt uiteindelijk tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in een wijk, dorp of gemeente als geheel. 2.2.2 Sturing op aantal standplaatsen Om te komen tot een duurzame ruimtelijke structuur voor standplaatsen is het van belang dat het aanbod (aantal standplaatsen) aansluit bij de vraag (omvang verzorgingsgebied in relatie tot voorzieningenaanbod). Hiertoe is het aan te bevelen het aantal standplaatsen te maximeren. Op basis van jurisprudentie is dit mogelijk. Veel gebruikte criteria om het maximum aantal te bepalen zijn het reeds aanwezige aantal standplaatsen en het draagvlak (aantal inwoners) van belang. Voor wat betreft het centrum van Venray is gebleken dat de donderdag als verkoopdag onvoldoende winstgevend is. Er worden dan ook geen nieuwe vergunningen meer worden afgegeven voor de donderdag in het centrum. De ondernemers die nu voor de donderdag ook al een standplaatsvergunning hebben, houden dit recht voor de periode dat de nieuwe vergunning geldt. In de wijken en dorpen is door de jaren heen een evenwicht ontstaan tussen aantallen en verkoopdagen. Nieuw in dit beleid is dat de standplaatsen alleen mogen worden ingenomen op de in het overzicht aangewezen plaatsen. Dit schept zowel duidelijkheid voor de aanvrager als de vergunningverlener. 2.2.3 Sturing op diversiteit Een gemeente kan tot op zekere hoogte invloed uitoefenen op de branchering van standplaatsen, om zo een bepaalde mate van diversiteit in het aanbod te garanderen. Zo is het mogelijk om beleidsregels op te stellen om te voorkomen dat op één locatie dezelfde assortimenten worden verkocht door verschillende ondernemers. Branchegroepen of assortimenten worden soms geweigerd met het oog op de levensvatbaarheid van nabijgelegen winkelconcentraties. Een geldige weigeringsgrond is het in gevaar komen van het voorzieningenniveau van de consument ter plaatse. 2.2.4 Geen economische ordening Bij het uitwerken van voorliggend standplaatsenbeleid is het van belang dat regels, ook die over het aantal, diversiteit en de locatie van standplaatsen, worden gemotiveerd op basis van ‘dwingende redenen van algemeen belang’. Het reguleren van concurrentieverhoudingen (economische ordening) is nadrukkelijk niet toegestaan (onder andere Europese Dienstenrichtlijn). Openbare orde, veiligheid, ruimtelijke ordening en een gevarieerd voorzieningenaanbod als onderdeel van het woon- en leefklimaat bieden echter voldoende houvast voor een goed doordacht en zorgvuldig geformuleerd standplaatsenbeleid. Hoofdstuk 3. Juridisch kader 3.1 Algemeen kader: Vrije marktwerking en Wet ruimtelijke ordening Standplaatsen vallen onder de ambulante handel en daarmee ook onder detailhandel. Daarnaast kunnen standplaatsen naast het verkopen van producten, diensten aanbieden. Binnen de beleidsvorming rond detailhandel strijden twee principes om voorrang: de vrije marktwerking met maximale concurrentie tussen ondernemers; de overheid hoort niet in de concurrentieverhoudingen te treden; een goede ruimtelijke ordening, hier is het bij uitstek de overheid die hierop hoort te sturen. Vrije marktwerking Op basis van de Europese Dienstenrichtlijn moet sprake zijn van een vrije markt die alle ondernemers gelijke kansen biedt. Tegen die achtergrond moet de overheid terughoudend zijn met het reguleren van de concurrentieverhoudingen. Wet ruimtelijke ordening Wat de overheid wel mag, en zelfs moet, is zorgen voor een 'goede ruimtelijke ordening'. Daaronder valt ook bijvoorbeeld het voorkomen en/of bestrijden van leegstand, vanwege de negatieve effecten daarvan op de openbare orde en veiligheid. Als er sprake is van een forse krimp, is het tot op zekere hoogte noodzakelijk om in te grijpen en te sturen op de hoeveelheid en locatie van detailhandelsvestigingen. Kortom Hoewel de overheid terughoudend moet zijn in het reguleren van concurrentieverhoudingen, is het in verband met een goede ruimtelijke ordening wel wenselijk om door middel van goed standplaatsenbeleid sturend op te treden. 3.2 Wettelijk kader Het wettelijk kader voor het kunnen innemen van een standplaats binnen de gemeente Venray is geregeld in Afdeling 4 Standplaatsen van de Algemene plaatselijke verordening (Apv). Daarnaast zijn nog andere juridische kaders van toepassing. Publiek- en privaatrechtelijke bepalingen begrenzen de beleidsvrijheid van het gemeentebestuur bij de beslissing op een verzoek om een standplaatsvergunning. 3.3 Jurisprudentie ten aanzien van standplaatsen In de loop der jaren is met name op het gebied van ‘concurrentie’ en ‘verhouding privaat-publiekrecht’ de nodige jurisprudentie uitgesproken ten aanzien van standplaatsen. 3.3.1 Concurrentie 3.3.1.1 Algemeen Zoals reeds vermeld, mag een gemeente zich niet bemoeien met de economische ordening, oftewel de concurrentieverhoudingen binnen een gemeente. De aanvraag voor een standplaatsvergunning kan alleen geweigerd worden wanneer het lokale voorzieningenniveau voor de consument in gevaar komt. Een gemeente kan wel op andere manieren invloed uitoefenen op de samenstelling van de standplaatsen. Dit kan door een maximumstelsel en door branchering op te nemen in het standplaatsenbeleid. 3.3.1.2 Maximumstelsel Een gemeente mag het aantal te verlenen standplaatsvergunningen aan een maximum verbinden. Hierdoor blijft het aantal standplaatsen binnen bepaalde normen en ontstaat er geen wildgroei van standplaatsen. Het maximumstelsel is een door de rechter geaccepteerd systeem. De rechter accepteert dit echter alleen als dat stelsel goed onderbouwd en actueel is. 3.3.1.3 Branchering Gelet op de doelstelling om bij de invulling van de standplaatsen te zorgen voor een waardevolle aanvulling op en diversiteit ten opzichte van het bestaande voorzieningenniveau, is verdere sturing binnen het maximale aantal standplaatsen mogelijk. Om die reden wordt branchering toegepast bij de vaste standplaatsen. Bekeken wordt waar het wenselijk is om te sturen op branches en of deze aanvullend zijn en passend bij het bestaande voorzieningenniveau van de winkels. 3.3.2 Privaat-publiekrecht In de meeste gevallen zullen de standplaatsen in de gemeente worden ingenomen op gemeentegrond. Naast de publiekrechtelijke bevoegdheid als vergunningverlenende instantie, is de gemeente ook privaatrechtelijk bevoegd als grondeigenaar. Gronden die in eigendom van de gemeente zijn, kunnen normaal en bijzonder worden gebruikt. Onder normaal gebruik wordt bedoelt: het gebruik overeenkomstig de bestemming. Bijvoorbeeld het parkeren van auto’s op het parkeerterrein. Normaal gebruik dient door de gemeente te worden toegelaten en mag niet afhankelijk worden gesteld van een privaatrechtelijke toestemming. Bijzonder gebruik is gebruik op een andere wijze dan volgens de bestemming. Bijvoorbeeld het plaatsen van een tent op een parkeerterrein. Bijzonder gebruik mag afhankelijk worden gesteld van een privaatrechtelijke toestemming van de eigenaar van de grond. De overheid als eigenaar van de gronden neemt een andere positie in dan een andere eigenaar. Dit is wel gebleken uit de jurisprudentie van de afgelopen jaren. De gemeente mag haar privaatrechtelijke bevoegdheid als eigenaar van een stuk grond niet gebruiken om te regelen wat via de publiekrechtelijke weg geregeld kan of dient te worden of juist niet geregeld kan of mag worden. Met het bij dit beleid aanwijzen van standplaatsen wordt voor de betreffende locaties expliciet aangegeven dat er geen bezwaar bestaat tegen het op dat stuk grond innemen van een standplaats. Uiteraard is wel een standplaatsvergunning vereist alvorens standplaats mag worden ingenomen. De gemeente mag als eigenaar van een stuk grond uiteraard wel voorschriften stellen aan het gebruik van de grond. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het stellen van de voorwaarde dat het stuk grond schoon wordt achtergelaten. Ook is het zo dat de gemeente voor het gebruik van de grond een adequate vergoeding mag vragen. De enige beperking hierin is dat die vergoeding niet zo hoog mag zijn dat daarmee privaatrechtelijk wordt tegengegaan wat publiekrechtelijk moet worden toegestaan. Hoofdstuk 4 Weigeringsgronden Op grond van de Apv worden de volgende toetsingscriteria gehanteerd voor het beoordelen van een standplaatsvergunningaanvraag: openbare orde en veiligheid; het voorkomen of beperken van overlast; volksgezondheid; bescherming van het milieu; verkeersvrijheid of –veiligheid; aantasting van een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse; het geldende bestemmingsplan of voorbereidingsbesluit. Het bevoegd gezag kan een vergunning of ontheffing ook weigeren als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 4.1 Openbare orde en veiligheid Wanneer een standplaats een zodanige overlast veroorzaakt, dat dit een bedreiging vormt voor de veiligheid en rust in de publieke ruimte, kan de vergunning geweigerd worden. 4.2 Het voorkomen of beperken van overlast Deze weigeringsgrond houdt nauw verband met de openbare orde en veiligheid. Bij het hanteren van deze weigeringsgrond is een beperking van het aantal standplaatsenvergunningen toegestaan, indien hiermee een te grote concentratie of belangstelling op dezelfde locatie wordt tegengegaan. 4.3 Volksgezondheid De weigeringsgrond 'volksgezondheid' kan worden gehanteerd, indien het innemen van een standplaats en het aanbieden van bepaalde etenswaren of anderszins bepaalde risico's met zich meebrengen voor de volksgezondheid. 4.4 Bescherming van het milieu De weigeringsgrond 'bescherming van het milieu' kan worden gehanteerd, indien het innemen van een standplaats en de daarmee gepaard gaande stankoverlast, geluidsoverlast of zwerfvuil bepaalde risico's met zich meebrengen voor het (plaatselijk) milieu. 4.5 Verkeersvrijheid of –veiligheid Wanneer zich door de omvang van en de toeloop naar een standplaats, (verkeers-)onveilige situaties kunnen voordoen, kan de vergunning geweigerd worden. 4.6 Aantasting van een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse In het verleden was het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbaar ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Of er sprake is van een redelijk voorzieningenniveau voor de consument bekijkt de gemeente vanuit de positie van de consument en niet vanuit de positie van winkeliers. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet door de plaatselijke winkelier worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt (en daarmee ook het voorzieningenniveau voor de consument) als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. 4.7 Het geldende bestemmingsplan Behalve aan de Apv, toetsen we de aanvraag voor een standplaatsvergunning ook aan het bestemmingsplan. Uit jurisprudentie blijkt dat een aanvraag al snel planologisch/ruimtelijk relevant is. Dit heeft te maken met de aard van de bestemming en de omgeving, de duur van de belasting, de frequentie, de aard van de activiteit en de mogelijk nadelige planologische gevolgen. Op dit moment is geen regeling opgenomen en dus blijkt dat op basis van het huidige bestemmingsplan er geen standplaatsvergunningen verleend kunnen worden. Nadat voorliggend beleid in werking is getreden, zal een en ander in een zogenaamd paraplubestemmingsplan – specifiek voor het vastleggen van de standplaatsen – worden uitgewerkt. Een zogenaamd parapluplan is een partiële herziening van meerdere bestemmingsplannen. Op één of meer aspecten worden diverse bestemmingsplannen met een paraplubestemmingsplan aangepast of aangevuld, voor het overige blijven de desbetreffende bestemmingsplannen van kracht. 4.8 overige regelgeving Een standplaatshouder moet naast de eisen vanuit de Apv, voldoen aan andere wetgeving. Deze wetgeving stelt vanuit andere motieven eisen aan de standplaatshouder. De toelichting op de belangrijkste wetten is hieronder beschreven. Warenwet De Warenwet stelt regels in het belang van volksgezondheid, eerlijkheid in handel en goede voorlichting. De Warenwet geldt ook voor het drijven van handel vanaf een standplaats. Doordat deze vorm van handel enkele specifieke kenmerken heeft, heeft het Hoofdbedrijfschap Detailhandel de “handreiking voedselveiligheid ”Ambulante Handel” in 2014 uitgebracht. Wet milieubeheer De Wet milieubeheer beschermt een omgeving tegen inrichtingen die hinder en/of overlast veroorzaken. Als vanuit een mobiel verkooppunt wordt gebakken, kunnen er vanuit het Activiteitenbesluit milieueisen worden gesteld. Deze eisen hebben betrekking op het bereiden van voedsel maar ook op afvalwater en stankoverlast. Winkeltijdenwet De Winkeltijdenwet is van toepassing op standplaatsen, (artikel 2, lid 2 van genoemde wet). Op basis van deze wet mag een standplaats op maandag tot en met zaterdag (niet zijnde feestdagen) tussen 06.00 – 22.00 uur worden ingenomen. Hiervan kan worden afgeweken voor zover de gemeente dat in een aparte verordening heeft bepaald, de Winkeltijdenverordening. Hoofdstuk 5. Beleidskeuzes standplaatsen 5.1 Motivering c.q. verantwoording van de beleidskeuzes 5.1.1. Bepalen ambities en uitgangspunten In deze fase zijn ambities en uitgangspunten van de gemeente en belanghebbenden geïnventariseerd. Ambities kunnen bijvoorbeeld te maken hebben met het streven naar een zo goed mogelijk voorzieningenniveau voor de consument en naar een goed investeringsklimaat voor ondernemers. Het gaat bijvoorbeeld om de relatie met overige voorzieningen. Op welke manier leveren standplaatsen de grootste bijdrage aan het voorzieningenniveau. Mede op basis van de analyse van de huidige situatie is het maximum aantal standplaatsen vastgesteld. 5.1.2 Bepalen aantal standplaatsen De kwantitatieve behoefte aan standplaatsen is zo goed mogelijk bepaald op basis van het aantal inwoners, de ambities van belanghebbenden en de marktruimte. Dit heeft geresulteerd in een overzicht met daarin het aantal (en type) standplaatsen per kern. Daarbij zijn een aantal afwegingen gemaakt: Vindt er versterking plaats ten opzichte van het bestaande aanbod; Maatschappelijk draagvlak (is er vanuit consumentenoptiek behoefte); Fysieke ruimte; Goede basisinfrastructuur (bijvoorbeeld stroomvoorziening); Goede bereikbaarheid en parkeermogelijkheden; Afgestemd op de marktdagen; Het uiteindelijke maximumstelsel is vervolgens uitgewerkt in de beleidsregels. 5.1.3 Bepalen locaties voor vaste standplaatsen Rekening houdend met het maximum aantal standplaatsen zijn de toegestane locaties voor standplaatsen vastgesteld. Hierbij zijn de ambities en uitgangspunten vertaald in ruimtelijke randvoorwaarden waaraan de locaties voor standplaatsen moeten voldoen. Hierbij kan gedacht worden aan bereikbaarheidskenmerken, ligging in het verzorgingsgebied en ligging ten opzichte van winkels of overige publieksfuncties. 5.1.4 Standplaatsen in dorpskernen en bij winkelcentra Standplaatsen in dorpskernen en bij winkelcentra vormen een waardevolle aanvulling op het voorzieningenniveau. Vanuit het oogpunt van openbare orde, bereikbaarheid en openbare veiligheid betreffen dit eveneens geschikte locaties. Ook is op deze locaties de ruimtelijke uitstraling vooralsnog geen belemmering. De wijken Landweert, Veltum en Brukske In deze wijken vormt de woonbeleving een belangrijk uitgangspunt. Het is van belang het aantal standplaatsen te beperken en de locatie zorgvuldig te kiezen. Dit vanwege de mogelijke verkeersoverlast, stankoverlast en dergelijke. De dorpskernen Castenray, Oostrum, Wanssum en Ysselsteyn Er is een beperkt detailhandelsaanbod met één supermarkt en enkele winkels met niet-dagelijkse goederen. Vaak is in kleinere kernen waar onvoldoende draagvlak is voor een (bepaald type) winkel, een standplaats wel haalbaar. Het pleit er voor om hier met zorg om te gaan met het verkoopassortiment dat de standplaats voert. Dit moet een aanvulling zijn op de bestaande winkels zonder dat het voorzieningsniveau in gevaar komt. Standplaatsen op bedrijventerreinen Op dergelijke locaties is geen concurrentie met de huidige detailhandel, maar om wildgroei tegen te gaan is het goed om hier terughoudend mee om te gaan. Standplaatsen aan doorgaande wegen Aan doorgaande wegen vormt met name de verkeersveiligheid een belangrijk aandachtspunt. De beperkte beschikbaarheid van parkeerplaatsen en een druk bezoek aan de standplaats kunnen aan doorgaande wegen relatief snel tot verkeersonveilige situaties leiden. Standplaatsen aan doorgaande wegen zijn daarom als onwenselijk te beschouwen. Standplaatsen tijdens een evenement Tijdens een groter evenement kunnen standplaatsen binnen de kern waar dat evenement plaatsvindt tot extra overlast leiden. Dit kan betekenen dat de standplaatslocatie niet kan worden ingenomen tijdens een dergelijk evenement. De mogelijkheid dat een standplaatshouder integreert in de vergunningsaanvraag voor een evenement moet blijven. Het is dan aan de standplaatshouder en de evenementenorganisatie die de evenementenvergunning aanvraagt om hierover afspraken te maken en te zorgen dat de standplaatslocatie tijdens dat evenement op de aanvraag wordt vermeld. 5.1.5 Uitwerking branches, locaties en randvoorwaarden Per standplaatslocatie is een uitwerking van de toegestane branches en het aantal dagen plaatsen per dag per locatie gemaakt. 5.2 Standplaatsen op openbaar particulier terrein Er worden niet alleen op gemeentegrond standplaatsen aangevraagd. Er zijn ook standplaatshouders die een plek innemen op het terrein van een particulier. Ook hier moet een vergunning voor worden aangevraagd en de eigenaar van de grond moet toestemming geven. Het gaat dan vaak om openbare terreinen, zoals parkeerplaatsen bij winkelcentra of bedrijven- / industriegebieden. 5.3 Mobiliteit standplaatsen Het mobiele karakter van een standplaats betekent dat de plaats dagelijks door verschillende objecten kan worden ingenomen en weer wordt verlaten. Dit is belangrijk naast de openbare orde en veiligheid, de openbare ruimte beschikbaar te houden voor andere functies, en om te voorkomen dat een standplaats in de loop der tijd een permanent karakter krijgt. De standplaatshouder kan maximaal één uur van tevoren zijn standplaats opbouwen en inrichten en is verplicht één uur na het beëindigen van de verkoop, zijn standplaats te hebben ontruimd. Dit is bedoeld om te voorkomen dat er vooral bij de continue standplaatsen permanente bouwwerkjes ontstaan. Voor bouwwerken moeten omgevingsvergunningen aangevraagd worden. De mobiliteitseis is belangrijk, omdat; er anders sprake zou zijn van oneerlijke concurrentie met kiosken en winkels die een hogere investering eisen, zoals grondverwerving en het verkrijgen van een omgevingsvergunning; de openbare ruimte waarop de standplaats is gereserveerd ook beschikbaar moet blijven voor andere functies; de ruimtelijke invloed en de beleving van het uiterlijk van een mobiele kraam wezenlijk anders is dan die van een vast verkooppunt. Een mobiele standplaats wordt gezien als een ‘kraam’, dit wil zeggen een tijdelijk verschijnsel in de openbare ruimte. Een vast verkooppunt zoal bij een kiosk heeft een permanente uitstraling en wordt ervaren als een bouwwerk. Er is dan geen sprake meer van openbare ruimte, maar van geprivatiseerde ruimte. de ervaring leert dat een standplaats die niet aan de mobiliteitseisen hoeft te voldoen vaak in de loop der tijd een permanenter uiterlijk krijgt. Zo worden bijvoorbeeld de wielen weggewerkt, de luifel uitgebreid tot overdekt terras, een gedeelte van de apparatuur of opslag naar buiten verplaatst, permanente nutsvoorzieningen aangesloten, uitbouwen gerealiseerd, et cetera. Uitzondering op mobiliteit Een uitzondering op de mobiliteit vormen oliebollenkramen in het winterseizoen. Met uitzondering van de maandag (weekmarkt) mag de oliebollenkraam op het Henseniusplein zijn verkoopwagen, voor de vergunde periode, laten staan. Op bedrijven-/industrieterreinen, indien het een openbaar particulier terrein betreft, mogen standplaatshouders hun verkoopwagen laten staan, aangezien er meestal geen woningen in de buurt zijn en ze daarom geen directe overlast voor de omwonenden veroorzaken. Ook zijn deze gebieden rustige gebieden waar niet veel gebeurt in de openbare ruimte. Wel moeten we toezien op het feit dat er geen aanbouw plaatsvindt of dat het verkoopmiddel verandert in een vast bouwwerk. De verkoopwagen op zich moet wel mobiel en eenvoudig verplaatsbaar zijn. Vaste bouwwerken vallen niet onder het Beleidsregels standplaatsen gemeente Venray maar onder de Omgevingswet. 5.4 Verdeling van schaarse vergunningen De Europese Dienstrichtenlijn staat niet langer toe om voor een standplaats een vergunning voor onbepaalde duur te verlenen of stilzwijgend te verlengen. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2927) is dit aangehaald als onwenselijk. Voor schaarse vergunningen dus ook voor standplaatsvergunningen moeten potentiële gegadigden gelijke kansen krijgen om in een transparante procedure mee te dingen naar een dergelijke vergunning. In een gemeentelijk verordening mogen beperkingen worden gesteld aan de mededinging, maar die mag daarmee niet volledig worden uitgesloten. Dit blijkt onder meer uit de conclusie in de uitspraak 201406676/2/A3 van 25 mei 2016, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bestuursorganen moeten daarbij een "passende mate van openbaarheid" garanderen. In de praktijk betekent dat: het bestuursorgaan informatie moet geven over de (1) verdelingsprocedure, (2) het aanvraagtijdvak (3) de beschikbaarheid van de schaarse vergunning en (4) de toe te passen criteria. Deze informatie moet voor het begin van de aanvraagperiode adequaat bekend worden gemaakt; het (in beginsel) niet mogelijk is om schaarse vergunningen voor onbepaalde tijd te verlenen. Tijdig voorafgaand aan de start van de aanvraagprocedure moet het bestuur duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken via een zodanig medium dat potentiële gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. In het kader van schaarse vergunningen wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten schaarsten. Dit is ten eerste schaarste als gevolg van een beperkt aantal beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden en ten tweede beleidsmatige schaarste. Hieronder zullen we nader ingaan op dit onderscheid 1. Schaarste door beperkte bronnen en mogelijkheden Artikel 12 van de Dienstenrichtlijn (artikel 33 lid 4 en 5 Dienstenwet) schrijft een specifieke regeling voor in gevallen waarin het aantal vergunningen beperkt is vanwege schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden. Bij de verlening van deze (beperkte hoeveelheid) vergunningen dient een specifieke selectieprocedure te worden vastgesteld die alle waarborgen biedt voor onpartijdigheid en transparantie (artikel 12 lid 2 Dienstenrichtlijn). 2. Beleidsmatige schaarste Daarnaast kan het aantal te verlenen vergunningen ook beperkt worden om beleidsmatige redenen. Bijvoorbeeld een beperkt aantal vergunningen dat binnen een bepaald gebied wordt verleend aan exploitanten van coffeeshops. Ook een maximaal aantal evenementen dat per tijdsperiode in een gemeente mag worden georganiseerd, is een voorbeeld. In dit geval zijn in de eerste plaats de algemene voorschriften zoals neergelegd in artikel 10 (vergunningsvoorwaarden), 11 (vergunningsduur) en 13 (vergunningsprocedure) van de Dienstenrichtlijn van toepassing. In het geval van een standplaatsvergunning kan het zowel gaan om schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden (ad 1). Er zijn bijvoorbeeld maar een x-aantal plaatsen voor marktkramen per week beschikbaar. Ook kan de gemeente om beleidsmatige redenen het aantal standplaatsvergunningen beperken (ad 2). De gemeente wil bijvoorbeeld om openbare orde redenen niet op iedere hoek van de straat een snackkar. Als sprake is van optie 1, dan moet de gemeente artikel 12 van de Dienstenrichtlijn toepassen. Komt de gemeente tot de conclusie dat zij om beleidsmatige redenen het aantal vergunningen wil beperken, zoals in optie 2, dan zijn de artikelen 10, 11 en 13 Dienstenrichtlijn van toepassing. In de praktijk zou ook sprake kunnen zijn van een samenloop van optie 1 en 2: er zijn zowel beperkte hulpbronnen waardoor een vergunning schaars is, daarnaast kan de overheid bepalen hoeveel vergunningen ze uiteindelijk verlenen. De in dit beleid gekozen methodiek van toewijzing van de vergunningen in gevallen waarbij er meer aanvragen dan beschikbare vergunningen is loting. Bij meer dan één gegadigde voor een standplaatsvergunning op een bepaalde locatie wordt via loting, in aanwezigheid van meerdere ambtenaren, de standplaats toegewezen. Een transparante en neutrale manier waarbij het speelveld van elke ondernemer hetzelfde is. In de beleidsregels standplaatsen gemeente Venray is de wijze waarop de loting wordt toegepast, verder uitgewerkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel