Het bestemmingsplan is het gemeentelijk instrument, waarmee de gebruiks- en bouwmogelijkheden van alle openbare en particuliere gronden binnen de gemeentegrenzen dwingend zijn voorgeschreven. Het uitgangspunt is dat aanvragen om een omgevingsvergunning in principe aan het bestemmingsplan moeten voldoen. In enkele gevallen kunnen burgemeester en wethouders uit het oogpunt van flexibiliteit van het bestemmingsplan afwijken ten behoeve van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen.
Op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, Wabo zijn burgemeester en wethouders bevoegd om van het bestemmingsplan af te wijken en dus meer toestaan van het bestemmingsplan heeft bepaald. In artikel 4 van bijlage II behorend tot het Bor zijn alle gevallen opgesomd, die voor een afwijking van het bestemmingsplan in aanmerking komen. Aan de hand van dit beleid worden aanvragen ten aanzien van woonwagens en bijbehorende voorzieningen eenduidig en consistent beoordeeld.
Burgemeester en wethouders hebben met de “Beleidsregels Kruimelgevallen 2017” reeds gemeentelijk beleid vastgesteld ten aanzien van het gebruik van ‘kruimelgevallen’ ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, Wabo. In dat beleid is echter niets specifiek opgenomen ten aanzien van woonwagenstand-plaatsen. Deze “Beleidsregels Woonwagenstandplaatsen 2019” dient te worden beschouwd als aanvulling op de meest recente beleidsregels omtrent artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, Wabo.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.1