Naar hoofdinhoud
1.. Bij verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalenderjaar verstrekte subsidie die meer dan € 50.000,00 bedraagt een algemene reserve vormt. 2.. De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan het college verzoeken een algemene reserve te mogen vormen. 3.. Een reservering tot 10% van het subsidiebedrag is toegestaan. Als een hogere reserve is gevormd dan kan dit leiden tot een lagere subsidievaststelling of tot een intrekking of wijziging van de subsidieverlening voor het lopende of volgende subsidiejaar. Het college kan hiervan afwijken na het instellen van een onderzoek over de oorzaak en omvang van de reservevorming. 4.. Voor zover het verstrekken van subsidie heeft geleid tot de vorming van een algemene reserve, is de subsidieontvanger de gemeente een vergoeding verschuldigd van maximaal het met subsidie opgebouwde vermogen als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb voordoet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. 5.. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt; dat betekent dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen. 6.. Als het onroerende zaken betreft, wijst het college een onafhankelijke deskundige aan die de waarde bepaalt. 7.. Het college kan afwijken van het bepaalde in het vierde lid en besluiten dat geen vergoeding verschuldigd is dan wel dat het gevormde vermogen mag worden besteed aan bepaalde activiteiten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel