In artikel 8.1.1 van de Jeugdwet worden drie wettelijke voorwaarden gesteld voor het verstrekken van een pgb; de bekwaamheid van de aanvrager, de motivatie rondom een pgb en goede kwaliteit van de dienstverlening. Het college toetst of aan de drie wettelijke voorwaarden is voldaan. Deze drie wettelijke voorwaarden worden hieronder nader toegelicht.
Bekwaamheid van de aanvrager
Kan de jeugdige of zijn ouders de taken die bij een pgb horen verantwoord uitvoeren?
Van de aanvrager of diens (wettelijke) vertegenwoordiger wordt verwacht dat deze zelfstandig een waardering kan maken van de belangen ten aanzien van de aanvraag. De aanvrager of diens (wettelijke) vertegenwoordiger moet duidelijk kunnen maken welke problemen er zijn en bij welke ondersteuning men gebaat is.
Daarbij moet helder worden of de jeugdige of zijn ouders de verantwoordelijkheden, die horen bij het inkopen van zorg met een pgb, kunnen uitvoeren. Dit wordt door de gemeente getoetst.
De beoordelingscriteria hiervoor zijn:
Is diegene die het pgb gaat beheren in staat de situatie te overzien en zelf de benodigde hulp te kiezen, te regelen en te sturen?
Is diegene die het pgb gaat beheren goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een pgb en kan hij/zij hiermee omgaan?
Is diegene die het pgb gaat beheren in staat de opdrachtgeverstaak op zich te nemen, zoals een aanbieder uitzoeken, sollicitatiegesprekken voeren, contracten afsluiten, facturen afhandelen en de kwaliteit en voortgang van de hulpverlening bewaken?
Overwegende bezwaren zijn er als er een ernstig vermoeden is dat de aanvrager, ook met hulp uit zijn sociaal netwerk of zijn vertegenwoordiger, problemen zal hebben met het omgaan met pgb.
De aanvrager wordt als niet bekwaam bevonden als:
De aanvrager als gevolg van dementie, een verstandelijke beperking, niet aangeboren hersenletsel of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht heeft in de eigen situatie;
Er eerder misbruik is gemaakt van pgb;
Er eerder sprake is geweest van fraude;
Er sprake is van overbelasting van de ouders die zelf de zorg voor het kind uitvoert.
Deze opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is. In deze situaties kan een pgb geweigerd worden. Het kan wel zo zijn dat de aanvrager zelf niet of onvoldoende bekwaam is, maar er mensen in zijn omgeving zijn die hem of haar dusdanig kunnen helpen en bijstaan dat er toch een pgb verstrekt kan worden.
De onderbouwing van de afwijzing wordt in de beschikking vermeld.
Motivatie keuze pgb
Kan de jeugdige of zijn ouders beargumenteerd aangeven waarom zorg in natura niet passend is?
Het college vraagt de aanvrager om een pgb-plan te maken waaruit de motivatie blijkt. Dit pgb-plan wordt gekoppeld aan het ondersteuningsplan dat samen met de consulent wordt gemaakt. Hierin wordt inzichtelijk gemaakt waar de jeugdige en/of zijn ouders de ondersteuning zal inkopen, op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid, en hoe de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid van de ondersteuning is gewaarborgd. Na ‘akkoord’ hierop wordt een beschikking inclusief een pgb afgegeven op basis van het ondersteunings- en pgb-plan.
Door het opstellen van een pgb-plan wordt de jeugdige of zijn ouders gestimuleerd na te denken over de zorgvraag, deze uit te werken, te concretiseren en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren.
Met deze argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de individuele voorziening in natura. Wanneer een persoon de onderbouwing in redelijkheid heeft beargumenteerd mag het college de aanvraag niet weigeren. Het geeft het college wel de nodige informatie waarom mensen voor het pgb kiezen, of dit samenhangt met de gecontracteerde ondersteuning en of het nodig is de kwaliteit, flexibiliteit of cliëntgerichtheid van de gecontracteerde ondersteuning op te sturen. Niet het oordeel van het college is leidend, maar het oordeel van de aanvrager. Dit geldt ook wanneer het college in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de jeugdige en/of zijn ouders. In deze gevallen kan het college het pgb omwille van de motivering niet weigeren.
Kwaliteit van de dienstverlening
Is gewaarborgd dat de hulp die de jeugdige of zijn ouders met het pgb willen inkopen van goede kwaliteit is?
In zijn algemeenheid geldt dat de kwaliteit van de jeugdhulp in ieder geval veilig, doeltreffend en cliëntgericht is.
De jeugdhulp die men inkoopt met een pgb bij professionele jeugdhulpaanbieders moet voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen die worden genoemd in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet, in het Besluit Jeugdwet en de genoemde kwaliteitseisen behorend bij het Twents model voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning.
Bij de inkoop van jeugdhulp met pgb bij niet professionele personen die tot het sociaal netwerk behoren draagt de pgb-budgethouder de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de kwaliteit van de jeugdhulp.
Het college stelt als minimale eis aan degene uit het netwerk die de zorg verleent dat:
De zorgovereenkomst moet zijn afgestemd op het plan van aanpak dat de consulent met de pgb-budgethouder heeft opgesteld. Dit moet leiden tot de daarin afgesproken resultaten.
Degene uit het sociaal netwerk die de zorg verleent is in het bezit van VOG, als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJG) van personen die in hun opdracht beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders. Een dergelijke verklaring is niet eerder afgegeven dan 12 maanden voor het tijdstip dat de zorg geleverd wordt. Dit geldt niet bij een herindicatie.
De consulent toetst periodiek de voortgang en de mate waarin de resultaten worden bereikt.
Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB), vraagt het college de pgb-budgethouders om bij herwaardering/evaluatie van het ondersteuningsplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn en de daaraan verbonden voorwaarden. Een belangrijke voorwaarde hierbij is het voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen behorende bij de ingekochte ondersteuning.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.3