Voor elke verwerking van persoonsgegevens moet er een rechtmatige grondslag van toepassing zijn. Iedere verwerking van persoonsgegevens moet gebaseerd worden op één van de volgende zes grondslagen:
de betrokkene heeft voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming verleend;
de gegevensverwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de precontractuele fase;
de gegevensverwerking is noodzakelijk om een wettelijke verplichting na te komen;
de gegevensverwerking is noodzakelijk voor een vitaal belang van de betrokkene (in het kader van leven of dood, bijvoorbeeld delen van gegevens bij opname spoedeisende hulp);
de gegevensverwerking is noodzakelijk voor vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
de gegevensverwerking is noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de gemeente of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt. Maar als het belang op bescherming van zijn privacy voor de betrokkene zwaarder weegt, dan is de rechtsgrond gerechtvaardigd belang niet van toepassing.
Van de zes grondslagen zijn voor de gemeente in de praktijk de wettelijke plicht en de goede vervulling van taak van algemeen belang of openbaar gezag leidend. Voor de interne bedrijfsvoering van de gemeente, voor de medewerkers dus, spelen ook de grondslagen gerechtvaardigd belang en de uitvoering van een overeenkomst een rol. Het gerechtvaardigd belang mag nooit als reden worden gebruikt voor de verwerking van gegevens voor een publiekrechtelijke taak.
Hoofdstuk 8.
Artikel 8.1
Wettelijke grondslagen en algemene uitgangspunten
Onderdeel van Algemeen Privacyreglement