Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen uitgaan van het Algemeen Bestuur en van een of meer der deelnemers.
Indien de meerderheid van het Algemeen Bestuur het voorstel heeft aangenomen, zendt het Algemeen Bestuur het voorstel aan de deelnemers die binnen twee maanden na ontvangst van dit voorstel en met inachtneming van artikel 1, tweede lid van de Wet, een besluit nemen en dit terstond aan het Algemeen Bestuur meedelen.
Indien het voorstel uitgaat van een of meer der deelnemers zendt deze deelnemer, respectievelijk zenden deze deelnemers, het voorstel aan het Algemeen Bestuur.
Het Algemeen Bestuur doet het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen drie maanden aan de deelnemers toekomen, waarna verder door de deelnemers en het Algemeen Bestuur wordt gehandeld als omschreven in het vierde lid en artikel 26 van de Wet.
Het Algemeen Bestuur geeft de deelnemers kennis van het aanvaarden, verwerpen, goedkeuren of niet-goedkeuren van de in dit artikel bedoelde voorstellen, respectievelijk besluiten.