3.1 Beoordeling maatwerkvoorzieningen
Het beoordelingskader en de toegangscriteria voor aanspraken op maatwerkvoorzieningen worden bepaald door de Wmo 2015 (zoals de doelgroep en de eigen verantwoordelijkheid), de Verordening (criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening) en de onderhavige beleidsregels. Daarnaast geldt dat sprake moet zijn van maatwerk. Bij de aanspraak op iedere maatwerkvoorziening wordt in ieder geval gekeken naar:
het algemene beoordelingskader (in 3.2);
de algemene toegangscriteria (verwerkt in de hierna volgende paragrafen);
de algemene weigeringsgronden (in 3.13).
3.2 Algemeen beoordelingskader
Bij het beoordelen van aanspraken moet worden gekeken naar:
is de cliënt ingezetene van de gemeente?
is er een noodzaak tot langdurige compensatie?
zijn er andere mogelijkheden, zoals de eigen kracht, mantelzorger(s) of iemand uit het sociale netwerk?
is er sprake van gebruikelijke hulp?
zijn er - deels - (wettelijk) voorliggende voorzieningen beschikbaar?
zijn er - deels - algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar?
zijn er - deels - algemene en/of collectieve voorzieningen beschikbaar?
3.3 Hoofdverblijf / Woonplaats
Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat de cliënt zijn hoofdverblijf in Halderberge heeft. De cliënt moet ingeschreven staan in de gemeentelijke Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Halderberge. Hoofdverblijf betekent volgens jurisprudentie meer dan alleen ingeschreven staan in het BRP; cliënt moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. Als de cliënt kan aantonen dat hij op korte termijn in Halderberge komt wonen kan, als hij nog niet staat ingeschreven in het BRP, de aanvraag in behandeling worden genomen. Er wordt dan wel een termijn afgesproken waar binnen de inschrijving in het BRP geregeld moet zijn.
3.4Langdurig noodzakelijk
De voorzieningen of diensten moeten langdurig noodzakelijk zijn ter compensatie van beperkingen. Dat wil allereerst zeggen dat er een noodzaak voor compensatie moet zijn. Er moet worden vastgesteld dat er sprake is van beperkingen waardoor cliënt niet kan deelnemen aan het leven van alle dag. Hierbij kan de medisch adviseur (arts in dienst van een door de gemeente gecontracteerd bureau voor sociaal medisch advies) of een reeds bij de cliënt betrokken medische discipline een rol spelen om te bepalen of voorzieningen medisch noodzakelijk zijn of dat deze juist anti-revaliderend werken. De medisch adviseur kan tevens uitsluitsel geven over de vraag of er sprake is van een langdurige noodzaak. Onder ‘langdurig’ wordt over het algemeen verstaan langer dan zes maanden of dat het een blijvende situatie betreft. Onder een ‘blijvende situatie’ wordt ook de terminale levensfase verstaan.
Voor sommige maatwerkvoorzieningen, bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning, kan het ook om een kortere periode gaan, bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal per situatie verschillen. Als de verwachting is dat cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag van kortdurende medische noodzaak worden uitgegaan. Bij een wisselend ziektebeeld, waarbij verbetering in de toestand opgevolgd wordt door periodes van terugval, kan uitgegaan worden van een langdurige medische noodzaak.
Een voorziening wordt alleen verstrekt wanneer deze noodzakelijk is en niet indien er sprake is van gewenste of makkelijke verstrekkingen.
3.5 Eigen verantwoordelijkheid
Onder de eigen verantwoordelijkheid wordt verstaan het vermogen van een cliënt om op eigen kracht dan wel met de hulp van mantelzorger(s), personen uit het sociale netwerk en gebruikelijke hulp de belemmeringen redelijkerwijs zelf op te lossen. Oplossingen die een cliënt redelijkerwijs kan realiseren op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid gaan vóór op de verstrekking van een maatwerkvoorziening.
3.6 Gebruikelijke hulp
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de cliënt huisgenoten heeft die wel in staat zijn hulp te bieden bij bijvoorbeeld het voeren van een gestructureerd huishouden of het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd. Voor verdere uitwerking van dit begrip wordt verwezen naar de beleidsregels van de maatwerkvoorzieningen (zie pag. 31 en 32 voor huishoudelijke ondersteuning, pag. 49 voor begeleiding.)
3.7 Verantwoordelijkheden cliënt versus college
In de verordening worden de verantwoordelijkheid van het college en de verantwoordelijkheid van cliënt benoemd. In de Wmo 2015 wordt uitgegaan van wederzijdse inspanningen van zowel gemeente als cliënt. Er wordt zowel een beroep gedaan op de gemeente om zeer uitgebreid alle mogelijkheden om tot oplossingen te komen te onderzoeken, als op de eigen kracht van de cliënt van wie wordt verwacht eerst zelf naar oplossingen te zoeken voordat bij de gemeente om ondersteuning wordt gevraagd.
3.8 Algemene voorzieningen
Wanneer blijkt dat cliënt niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kan komen, wordt beoordeeld of er zogenaamde algemene voorzieningen zijn die de problemen die cliënt ervaart (gedeeltelijk) kunnen oplossen. Algemene voorziening is een breed begrip. Het betreft voorzieningen waar iedereen, zonder indicatie of andere vorm van toegang en doorgaans tegen betaling, gebruik van kan maken. Algemene voorzieningen kunnen commerciële diensten zijn, maar ook diensten zonder winstoogmerk. De bedoeling is dat er steeds meer algemene voorzieningen komen zodat inwoners minder een beroep doen op (duurdere) maatwerkvoorzieningen.
Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn:
rolstoel- of scootmobielpools/verhuur
klussendienst
schoonmaakdiensten
boodschappenservice
was- en strijkservice
stomerij
maaltijdbezorgdienst
het restaurant van een verpleeghuis waar buurtbewoners tegen een geringe vergoeding kunnen eten
kinderopvang (crèche, overblijfmogelijkheden op school)
voor- en naschoolse opvang / oppascentrale
honden uitlaatservice
het gebruik van de glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant
buurt inloopactiviteiten
boodschappenbus.
3.9 Voorliggende voorzieningen op grond van andere wet- of regelgeving
Voorliggend op de Wmo is een voorziening/dienst op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), ziektekostenverzekering of het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV). Indien dit het geval is, zal er op grond van de Wmo geen voorziening/dienst worden verstrekt.
3.10 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria:
het is niet speciaal bedoeld voor personen met een beperking;
het is verkrijgbaar in de reguliere handel;
het kan voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie worden gerekend tot het normale aanschaffingspatroon;
het is niet of niet veel duurder dan vergelijkbare producten.
Een fiets met lage instap of met elektrische trapondersteuning is een goed voorbeeld van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een dergelijke fiets wordt ook gebruikt door mensen zonder beperkingen (bijvoorbeeld door mensen die een lange afstand naar hun werk of school moeten fietsen), is gewoon bij de fietsenwinkel te koop is, is duurder dan een gewone fiets maar is wel betaalbaar voor de meeste mensen. Maar ook aan de bijvoorbeeld bij de ANWB verkrijgbare rollator valt hier te denken. Een ander goed voorbeeld is de verhoogde toiletpot. Zo’n toilet wordt ook gebruikt door mensen zonder beperking(en), is gewoon bij de bouwmarkt te koop en slechts iets duurder dan een gewone toiletpot. Een ander voorbeeld is het vervangen van een douchebak of bad door een inloopdouche.
In geval van een laag inkomen (op bijstandsniveau) kan bij de gemeente geïnformeerd worden of een beroep gedaan kan worden op de bijzondere bijstand.
3.11 Collectieve voorzieningen
Collectieve voorzieningen zijn voorzieningen die individueel worden verstrekt, maar die door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het collectief vervoer (Deeltaxi) het meest duidelijke voorbeeld van een collectieve voorziening. Bij beperkingen op het gebied van vervoer ligt het primaat bij de Deeltaxi. Dat wil zeggen dat wanneer men geen gebruik kan maken van het reguliere openbaar vervoer, men mogelijk in aanmerking kan komen voor een cliëntenpasje van de Deeltaxi. Alleen wanneer is aangetoond dat de Deeltaxi niet geschikt is voor de cliënt, kan een individuele vervoersvoorziening (zoals taxikostenvergoeding) worden verstrekt.
3.12 Goedkoopst adequate maatwerkvoorziening
De verstrekking is altijd gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Indien cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat is) komen de meerkosten voor rekening van cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorziening.
Een voorziening kan ook bestaan uit compensatie van noemenswaardige meerkosten ten opzichte van de algemeen gebruikelijke kosten die iemand voor de noodzakelijke voorziening moet maken. Hierbij kan worden gedacht aan een auto of fiets met (specifiek vanwege de beperking noodzakelijke) aanpassingen. Een auto of fiets is algemeen gebruikelijk, dus de kosten hiervoor (normbedragen zoals vastgesteld door het NIBUD) worden niet vergoed, uitsluitend eventueel de meerkosten.
3.13 Algemene weigeringsgronden
3.13.1 Hoofdverblijf/woonplaats
De cliënt komt alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening (voor zelfredzaamheid en participatie) indien hij zijn woonplaats in de gemeente heeft.
3.13.2 Vermijdbaarheid en voorzienbaarheid
De cliënt kan alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was of niet voorzienbaar was. Achtergrond is dat van iedereen mag worden verwacht tijdig te anticiperen op ondersteuningsvragen die te voorzien zijn, bijvoorbeeld door rekening te houden met zijn of haar beperkingen in keuzes die worden gemaakt. Zo moet degene die weet dat als traplopen nu al lastig gaat en uiteindelijk zeer moeizaam of zelfs onmogelijk gaat worden, op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan, gaat voorbij aan de eigen verantwoordelijkheid en leidt tot een afwijzing. Het verhuizen naar een woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt en/of zijn huisgenoten of dat de betreffende woning niet bedoeld is voor permanente bewoning, betekent ook dat er geen aanspraak bestaat op woonvoorzieningen. Ook een verhuizing die samenhangt met een levensfase (bijvoorbeeld ouder worden en kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen) is voorzienbaar. Hierbij dient wel altijd maatwerk geboden te worden en de situatie per cliënt beoordeeld te worden.
Indien een voorziening in de woning is aangebracht, zoals een douchescherm of een bad en het was op dat moment te voorzien dat deze voorziening in de toekomst niet meer adequaat zou zijn, bestaat geen aanspraak op compensatie in het kader van de wet. Voorzienbaarheid moet goed onderzocht worden en in kaart gebracht. Als een cliënt een aantal jaar geleden een bad heeft laten plaatsen en in de jaren daarna gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, kan gesteld worden dat de problemen niet te voorzien waren. Echter is het wel mogelijk dat op het moment dat de gezondheidsklachten ontstonden, cliënt al had kunnen voorzien dat er problemen met de woning zouden ontstaan en kan dus verwacht worden van een cliënt dat hij rekening houdend met deze verwachting nagedacht zou hebben over bijvoorbeeld verhuizen.
3.13.3 Algemene voorziening
De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien er een algemene voorziening is die:
daadwerkelijk beschikbaar is voor de cliënt;
financieel gedragen kan worden door de cliënt;
Het college beoordeelt of de cliënt in redelijkheid de algemene voorziening kan betalen. Het is vervolgens aan de cliënt om dit te weerleggen. De cliënt moet aannemelijk maken dat de algemene voorziening financieel niet gedragen kan worden;
passend en toereikend is voor de cliënt.
3.13.4 Algemeen gebruikelijk
In paragraaf 3.10 is al uitgelegd wat een algemeen gebruikelijke voorziening is. Er is voor een cliënt geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als deze eigenlijk algemeen gebruikelijk is. Met het criterium ‘algemeen gebruikelijk’ wordt dus beoogd om te voorkomen dat het college een cliënt een voorziening verstrekt waarover de cliënt, ook als hij of zij geen beperkingen had en gelet op de omstandigheden van betrokken cliënt, zou (hebben kunnen) beschikken.
3.13.5 Eerder verstrekte voorziening
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte voorziening in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening is nog niet verstreken. Een uitzondering kan worden gemaakt als de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met een opstalverzekering. Het is eveneens redelijk te achten dat de cliënt – indien een derde schade heeft veroorzaakt – deze aansprakelijk stelt.
3.13.6 Normale afschrijvingstermijn
Het college verstaat onder de normale afschrijvingsduur de technische afschrijvingsduur. Dit houdt in dat het college niet gehouden is een economisch afgeschreven voorziening, die nog in goede staat is en passend voor de cliënt, in te nemen en een nieuwe maatwerkvoorziening te verstrekken.
De normale afschrijvingstermijnen zijn als bijlage opgenomen (bijlage 2).
Bij woonvoorzieningen mag rekening gehouden worden met de ‘algemeen gebruikelijk te achten levensduur van een te vervangen voorziening’. Voor de beoordeling van bovenstaande en een overzicht van de gehanteerde afschrijvingstermijnen wordt de beleidsregel ‘levensduur woonvoorzieningen Wmo’, gepubliceerd in het gemeenteblad op 23 maart 2016, gehanteerd. Deze is terug te vinden via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-35286.html.
3.13.7 Reeds gemaakte kosten
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de kosten voorafgaand aan het moment van aanvragen of beschikken zijn gemaakt en niet meer op dat moment is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst adequaat is aan te merken.
3.13.8 Niet voldoen aan verplichtingen
De cliënt heeft de volgende verplichtingen:
Inlichtingenplicht
Op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het de cliënt redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn om het besluit tot toekenning van de maatwerkvoorziening te heroverwegen.
Dit stelt het college in staat om te beoordelen of het beroep op die maatwerkvoorziening of het daaraan gekoppelde persoonsgebonden budget nog terecht is. Verstrekt de cliënt niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de maatwerkvoorziening of het daaraan gekoppelde persoonsgebonden budget. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen.
Het niet naleven van de inlichtingenverplichting kan leiden tot:
buiten behandeling laten of afwijzen van de aanvraag of
beëindigen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of
herzien/intrekken van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en terugvorderen.
Medewerkingsplicht
De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met de (beoordeling van de) aanspraak op maatwerkvoorzieningen. Deze medewerkingverplichting geldt ook voor huisgenoten indien het gaat om de beoordeling van eventuele gebruikelijke hulp.
Het niet of onvoldoende meewerken aan het onderzoek kan leiden tot:
Buiten behandeling laten van de aanvraag (Awb), indien onvoldoende informatie bekend is.
Beëindigen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of
Herzien/intrekken van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en terugvorderen.
3.13.9 Geen aanleiding voor verhuizen, tenzij belangrijke reden
Aanspraken op maatwerkvoorzieningen die het gevolg zijn van een verhuizing vanuit een voor de cliënt geschikte woning en waarvoor dus geen noodzaak bestaat, leiden tot afwijzing. Dat is anders indien er een belangrijke reden voor de verhuizing bestaat.
Onder belangrijke reden kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gaan samenwonen, huwelijk of echtscheiding en het aanvaarden van werk op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is.
De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is steeds afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de maatwerkvoorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vergen eigen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de cliënt vooraf contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst adequate oplossing is.
3.13.10College niet vooraf geïnformeerd
Uit de jurisprudentie blijkt dat van cliënten mag worden verwacht dat ze eerst contact opnemen met het college voordat ze een andere woning huren of kopen of een (nieuw) gehuurde of gekochte woning willen gaan aanpassen. Het college moet de gelegenheid krijgen om vooraf eventuele alternatieven en de goedkoopst adequate oplossing in kaart te brengen met cliënt.
Het is aan cliënt om tijdig maar in ieder geval ruim voordat men een huurcontract of (voorlopig) koopcontract aangaat, contact op te nemen.
3.14 Herziening, intrekking, terugvordering en verhaal
3.14.1Herziening of intrekking
3.14.1.1 Bij een beleidswijziging
Artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 geeft aan de gemeente de verantwoordelijkheid om elke indicatie periodiek te onderzoeken. De aanleiding hiertoe kan een beleidswijziging zijn. De gemeente zal in voorkomende gevallen:
tijdig de nodige algemene, publieke communicatie daartoe verzorgen
en daarbij de situatie van elke individuele cliënt zorgvuldig en nader onderzoeken met in acht name van een redelijke overgangstermijn.
3.14.1.2 Op individueel niveau
Artikel 2.3.10, eerste lid Wmo 2015 geeft aan dat het college een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget kan herzien dan wel intrekken. De bevoegdheid kan worden toegepast wanneer:
de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen;
de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is;
de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden;
de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
Om de ondersteuning betaalbaar te houden en alleen ter beschikking te stellen aan diegene die het daadwerkelijk nodig heeft, voert het college als beleid dat wanneer een of meer van de hiervoor (onder a tot en met e) genoemde situaties zich voor doen, gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslissing tot verstrekking van de maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in te trekken of te herzien. Daaraan dient echter wel een zorgvuldige belangenafweging vooraf te gaan. In dat kader zal de cliënt (op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht) ook vooraf moeten worden gehoord. Daar waar mogelijk zullen het intrekkingsbesluit en een terugvorderingsbesluit in één brief worden gecombineerd.
3.14.2Terugvordering
Terugvordering naar aanleiding van een beslissing op grond van artikel 2.3.10, eerste lid onder a Wmo 2015.
In artikel 2.4.1, eerste lid Wmo 2015 en in art. 15, vierde tot en met zesde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Halderberge 2015 is, ten aanzien van besluiten op grond van artikel 2.3.10, eerste lid onder a Wmo 2015, de bevoegdheid tot terugvordering geregeld. De mogelijkheid tot terugvordering is beperkt tot schending van de inlichtingenplicht en die schending moet bovendien opzettelijk hebben plaatsgevonden. Het college wenst bij de Wmo 2015 als uitgangspunt te hanteren dat bij een (opzettelijke) schending van de inlichtingenplicht in beginsel tot terugvordering van de geldwaarde van de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget wordt overgegaan. Daarvan ziet het college slechts af als achteraf nog objectief kan worden vastgesteld dat de gemeente niet (in financiële zin) is benadeeld.
Van het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht is naar het oordeel van het college in ieder geval sprake wanneer de cliënt of degene die daaraan zijn medewerking heeft verleend, wist of behoorde te weten dat de informatie die hij niet, niet tijdig dan wel onvolledig aan het college heeft overgelegd van invloed kon zijn op het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget en is vastgesteld dat die informatie niet, niet tijdig dan wel onvolledig aan het college is overgelegd. In dat verband zal bij de toekenningbeschikking nadrukkelijk moeten worden gewezen onder welke omstandigheden van de cliënt en/of zijn netwerk wordt verlangd welke informatie wanneer aan het college moet worden overgelegd. Het voorgaande moet niet limitatief worden opgevat. Ook in andere situaties kan sprake zijn van opzet. Het is aan het college om dit te onderbouwen en de beslissing tot terugvordering te motiveren.
3.14.3 Verhaal
Verhaal van kosten naar aanleiding van een beslissing op grond van artikel 2.3.10, eerste lid onder b tot en met e Wmo 2015.
Het college kan het besluit op grond waarvan het pgb is verstrekt, herzien of intrekken in de onder artikel 2.3.10, eerste lid onder a tot en met e Wmo 2015 genoemde gevallen. Door de herziening of intrekking van het besluit komt de rechtsgrond van de verstrekking geheel (bij intrekking) of gedeeltelijk (bij herziening) te vervallen. Dit kan - indien van toepassing – met terugwerkende kracht. De terugvordering krachtens artikel 2.4.1 Wmo 2015 is beperkt tot de in artikel 2.3.10, eerste lid onder a Wmo 2015, genoemde gevallen waarin sprake is van (aantoonbare) opzet. Het college kan het in die gevallen terug te betalen bedrag bij dwangbevel invorderen. In de overige gevallen is titel 4.4 (Bestuursrechtelijke geldschulden) uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Artikel 4:85, eerste lid, onder b, Awb bepaalt dat titel 4.4 van toepassing is op geldschulden die voortvloeien uit een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep. De verplichting tot betaling van een geldsom (het ten onrechte verkregen persoonsgebonden budget of de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening) wordt bij beschikking vastgesteld (artikel 4:86, eerste lid Awb).