**1..** Opheffing en uittreding is behoudens bijzondere omstandigheden niet mogelijk in de eerste vier jaar na inwerkingtreding van de regeling. Van bijzondere omstandigheden is slechts sprake als hierover tussen de colleges van de gemeenten overeenstemming bestaat.
**2..** Deze regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van de colleges van de gemeenten.
**3..** Opheffings- en uittredingsbesluiten treden eerst na publicatie daarvan in de Staatscourant in werking.
**4..** Indien een besluit tot opheffing of uittreding, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen, geven de colleges van de gemeenten gezamenlijk een onafhankelijke registeraccountant opdracht om een uittredings- of opheffingsplan op te stellen. In onderling overleg tussen de registeraccountant en de gemeenten wordt gezocht naar een manier om de frictiekosten zoveel mogelijk te beperken. Een uittredende gemeente kan voor een periode van maximaal vijf jaar worden gehouden om frictiekosten te dragen. De colleges van de gemeenten stellen het uittredings- of opheffingsplan unaniem vast. Als geen unanimiteit wordt bereikt, wordt een gezamenlijke vergadering belegd waarin ieder college met een lid vertegenwoordigd is. Het uittredings- of opheffingsplan moet dan met in ieder geval twee derde meerderheid worden vastgesteld.
**5..** Het college van de centrumgemeente is bij opheffing belast met de uitvoering van het opheffingsplan, bedoeld in het vierde lid. Bij uittreding zijn het college van de uittredende gemeente en het college van de centrumgemeente samen belast met de uitvoering van het uittredingsplan.
HOOFDSTUK 8:
Artikel 16