Naar hoofdinhoud
Op grond van artikel 2:28 van de Apv is het verboden een horecabedrijf of openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. In artikel 2:27 is beschreven wat precies wordt verstaan onder deze begrippen, namelijk: horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, theehuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. openbare inrichting: een bedrijf waar andere dienstverlenende of detailhandelsgerichte activiteiten plaatsvinden al dan niet met horeca gerelateerde activiteiten als bedoeld in een horecabedrijf. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een internetwinkel en -café, een massagesalon, een shishabar, een smart-, head- of growbar dan wel –shop. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. Ook is nog apart genoemd wat er onder het begrip terras wordt verstaan (een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt). Op grond van de Apv zijn winkels in de zin van de Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte hebben, uitgesloten van de vergunningplicht (artikel 2:28, vierde lid, Apv). Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te voorkomen dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet (vijfde lid). De gemeenteraad heeft bovendien bepaald dat de horeca exploitatievergunningplicht niet geldt voor een horecabedrijf in of voor bepaalde instellingen (artikel 2:28, zesde lid, van de Apv). Deze vormen van ondergeschikte horeca worden nader uitgelegd in hoofdstuk 3.4.1. De exploitatievergunning voor zowel horeca als openbare inrichting is persoonsgebonden (artikel 1:5 van de Apv). Een persoonsgebonden vergunning houdt in dat bij de aanvraag ook gekeken wordt naar de persoon van de exploitant en dat de vergunning niet overdraagbaar is. De voornaamste reden om de exploitatievergunning persoonsgebonden af te geven is gelegen in het feit dat de persoon van de exploitant een belangrijke rol speelt in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat, de openbare orde en de samenleving beïnvloedt. De exploitatievergunning geldt in beginsel voor onbepaalde tijd (artikel 1:7 van de Apv). Het beleid dat aan de vergunningverlening ten grondslag ligt, dient nauw samen te hangen met het planologisch beleid. Daarbij geldt als uitgangspunt, dat strijd met het bestemmingsplan een grond tot weigering van een exploitatievergunning vormt. Een aanvraag voor een exploitatievergunning wordt eerst hieraan getoetst. Indien er vervolgens geen strijd is met het planologisch beleid kan er getoetst worden aan de overige bepalingen van de Apv. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als door verlening de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester houdt daarbij rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse al bloot staat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel