Artikel 1:6 van de Apv is van belang voor de vergunningen zoals genoemd in artikel 2:28 Apv. In artikel 1:6 Apv is opgenomen dat de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist,
indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
indien de houder dit verzoekt.
Artikel 1:6 Apv kan ingezet worden als wijzigingsgrond als het gaat om de volgende situaties:
Als een exploitant een milde vorm van slecht levensgedrag heeft getoond, zoals discriminatie, onbehoorlijk werkgeverschap of een slechte buur, kan de vergunning gewijzigd worden met voorwaarden wat dit gedrag in de toekomst moet voorkomen (op grond van artikel 2:28 lid 3 jo. artikel 2.28 lid 7 jo artikel 1:6 onder b Apv). Zie hiervoor ook de Beleidsregels slecht levensgedrag.
De vergunning kan gewijzigd worden indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat of in het belang van de gezondheid van bezoekers, omwonenden en voorbijgangers (op grond van artikel 1:6 onder b, mogelijk gecombineerd met artikel 1:6 onder a en/of c, afhankelijk van de situatie). Indien er bijvoorbeeld een vechtpartij heeft plaatsgevonden, kan onder andere gedacht worden aan de voorwaarde om beveiliger(s) in te schakelen, camera-toezicht te regelen, een maximum aan bezoekers toe te laten binnen de inrichting, de eindtijden aan te passen van de vergunning etc. Eventueel kan er ook een last onder dwangsom worden opgelegd om er voor te zorgen dat de exploitant voldoet aan de opgelegde voorwaarden. Ook andere handhavingsmiddelen kunnen ingezet worden, bijvoorbeeld een last onder bestuursdwang (bijvoorbeeld om de inrichting tijdelijk gesloten te houden na een incident om de rust terug te laten keren of als de situatie dreigend blijft).
Indien meerdere malen wordt geconstateerd dat er geen leidinggevende aanwezig is in de horeca-instelling of openbare inrichting, kan de vergunning gewijzigd worden (op grond van artikel 1:6 onder c, mogelijk gecombineerd met artikel 1:6 onder a en/of b, afhankelijk van de situatie) met een voorwaarde dat er binnen een bepaalde periode geregeld moet zijn dat er een of meer leidinggevenden aanwezig moeten zijn in de inrichting (zie ook hoofdstuk 3.3. van dit beleid). Er kan ook/tevens gekozen worden voor de mogelijkheid om een last onder dwangsom op te leggen als handhavingsmiddel.
Bij deze situatie moet ook gedacht worden aan een werknemer die zich kennelijk gedraagt als leidinggevende of exploitant, maar niet als zodanig op de vergunning staat. De verplichting kan dan opgelegd worden (via een voorwaarde op grond van artikel 1:6 onder a of een last onder dwangsom) dat deze werknemer zich opgeeft als leidinggevende/exploitant.
Indien na vergunningverlening blijkt dat een exploitant niet langer voldoet aan één of meer van de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2:28 lid 7 Apv (leeftijdsvereiste, niet onder curatele staan of uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn), kan op basis hiervan de vergunning gewijzigd worden op grond van artikel 1:6 onder b (mogelijk gecombineerd met artikel 1:6 onder a en/of c afhankelijk van de situatie). Indien bijvoorbeeld achteraf is gebleken dat een exploitant niet eerlijk is geweest over zijn leeftijd (artikel 1:6 onder a) en de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, kan de voorwaarde worden gesteld dat de exploitant pas verder kan met de exploitatie zodra de leeftijd van 21 jaar is bereikt (mits deze datum niet langer dan een jaar in de toekomst ligt). Ook kan de voorwaarde worden gesteld dat een andere exploitant -die wel de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt- tijdelijk de zaken waarneemt, totdat de jongere exploitant de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt (mits er sprake is van meerdere exploitanten op de vergunning).
Indien men onder curatele is komen te staan, kan mogelijk de voorwaarde worden opgenomen dat de exploitatie weer voortgezet kan worden als de exploitant niet meer onder curatele is gesteld (mits deze datum niet langer dan een jaar in de toekomst ligt) of dat een andere exploitant de zaken tijdelijk waarneemt (mits er meerdere exploitanten op de vergunning staan).
Indien men uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet is, zullen de omstandigheden van het geval bekeken moeten worden wat hiervan de achterliggende reden is. Als een ouder of voogd tijdelijk uit de ouderlijke macht wordt gezet door omstandigheden als een slechte financiële situatie of huisvestingsproblemen, dan zal een voorwaarde worden opgenomen in de vergunning dat de exploitatie kan worden voortgezet zodra de ouderlijke macht weer is hersteld (mits deze datum niet langer dan een jaar in de toekomst ligt). Ook kan tijdelijk een andere exploitant de zaken waarnemen, mits er sprake is van meerdere exploitanten op de vergunning.
Indien een exploitant tijdens de vergunningprocedure onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt ter verkrijging van de vergunning (artikel 1:6 onder a), zal de vergunning gewijzigd worden als de gevolgen van deze onjuiste of onvolledig verstrekte informatie herstelbaar zijn en de gevolgen te overzien. Gedacht kan worden aan de eerder genoemde leeftijdsgrens of aan een niet of onjuiste inschrijving in de Kamer van Koophandel.
Artikel 1:6 Apv kan ingezet worden als intrekkingsgrond als het gaat om de volgende situaties:
Indien aannemelijk is dat de exploitant betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet of bij activiteiten als bedoeld in artikel 2:50a van de Apv, zal de vergunning worden ingetrokken (op grond van artikel 1:6 onder b, mogelijk gecombineerd met artikel 1:6 onder a en/of c, afhankelijk van de situatie). Tevens zullen er dan andere handhavingsmiddelen worden ingezet (last onder bestuursdwang).
Indien aannemelijk is dat de exploitant slecht levensgedrag heeft vertoond, zoals opgenomen in artikel 1 van de Beleidsregel slecht levensgedrag, zal de vergunning worden ingetrokken op grond van 2:28 lid 3/artikel 2.28 lid 7 jo. artikel 1:6 onder b Apv. Ook als de exploitant zich niet zelf schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen genoemd onder artikel 1 van de Beleidsregels slecht levensgedrag, maar bijvoorbeeld wel zijn horeca-instelling of openbare inrichting hiervoor ter beschikking stelt/faciliteert (ten behoeve van drugshandel, mensenhandel, illegaal gokken enz.), zal de vergunning op eerder genoemde gronden worden ingetrokken. Het faciliteren van dergelijke activiteiten valt immers eveneens onder slecht levensgedrag. Afhankelijk van de activiteiten, kunnen er ook andere handhavingsmiddelen worden ingezet.
Indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon-en leefklimaat of in het belang van de gezondheid van bezoekers, omwonenden en voorbijgangers (op grond van artikel 1:6 onder b, mogelijk gecombineerd met artikel 1:6 onder a en/of c, afhankelijk van de situatie). Als bijvoorbeeld na een vechtpartij nadere voorwaarden zijn opgelegd en de exploitant houdt zich hier niet aan, kan de vergunning worden ingetrokken (doorgaans eerst na een last onder dwangsom). Als de exploitant zelf actief betrokken is geweest bij een dergelijk incident, kan de vergunning direct worden ingetrokken.
Indien meerdere malen wordt geconstateerd dat er geen leidinggevende (die op de vergunning wordt genoemd) aanwezig is in de horeca-instelling of openbare inrichting en ook na het inzetten van nadere voorwaarden of het opleggen van een last onder dwangsom, er geen leidinggevende aanwezig is, kan de vergunning worden ingetrokken (op grond van artikel 1:6 onder c, mogelijk gecombineerd met artikel 1:6 onder a en/of b, afhankelijk van de situatie). Zie ook hoofdstuk 3.3. van dit beleid.
Ook als een werknemer die zich kennelijk gedraagt als leidinggevende/exploitant, maar na het opleggen van voorwaarden/dwangsom zich niet als zodanig opgeeft, kan er overgegaan worden tot intrekking van de vergunning (op grond van artikel 1:6 onder a, mogelijk gecombineerd met artikel 1:6 onder c).
Indien na vergunningverlening blijkt dat een exploitant na vergunningverlening niet langer voldoet aan één of meer van de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2:28 lid 7 Apv (leeftijdsvereiste, niet onder curatele staan of uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn), kan op basis hiervan de vergunning ingetrokken worden op grond van artikel 1:6 onder b (mogelijk gecombineerd met artikel 1:6 onder a en/of c, afhankelijk van de situatie). Indien het langer dan een jaar duurt voordat de leeftijd van 21 jaar wordt bereikt en er is geen andere exploitant genoemd op de vergunning die tussentijds de zaken kan waarnemen, zal de vergunning worden ingetrokken. Indien het langer dan een jaar duurt voordat een onder curatele stelling wordt opgeheven en er geen andere exploitant op de vergunning wordt genoemd die in de tussentijd de zaken kan waarnemen, zal de vergunning worden ingetrokken. Indien het langer dan een jaar duurt voordat een ouder/voogd (tevens exploitant) in de ouderlijke macht wordt hersteld (mits het gaat om redenen als een slechte financiële situatie of huisvestingsproblemen), dan zal de vergunning worden ingetrokken. Als om andere redenen een ouder/voogd (tevens exploitant) uit de ouderlijke macht wordt gezet (bijvoorbeeld in verband met geweldsdelicten, verwaarlozing etc.), zal dit direct leiden tot intrekking van de vergunning.
Indien aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een situatie zoals genoemd onder punt 1, 2 of 3 onder de intrekkingsmogelijkheden, kan de burgemeester bepalen dat een nieuwe vergunning voor dezelfde inrichting gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1.1
Nadere toelichting artikel 1.6 Apv
Onderdeel van Beleid exploitatievergunning horeca en openbare inrichtingen Gemeente Nieuwegein 2019