Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Beleidsregels weigeringsgronden

Onderdeel van Beleidsregel voor het maken of veranderen van een uitweg gemeente Diemen

Aangezien de weigeringsgronden in artikel 2:12 lid 3 zeer algemeen geformuleerd zijn, wordt in onderstaande beleidsregels uitgelegd op welke wijze deze weigeringsgronden worden toegepast. Deze uitleg is een vastlegging van de wijze waarop in de afgelopen jaren in de praktijk uitleg is gegeven aan deze weigeringsgronden bij de beoordeling van vergunningsaanvragen. Bruikbaarheid van de weg Vergunningverlening dient de bruikbaarheid van de weg (artikel 2:12, lid 3, sub a) niet aan te tasten. Dit betekent dat: Een uitweg van maximaal 3 meter breed is toegestaan. Bij een dubbele uitweg ten behoeve van twee woningen naast elkaar is de maximale breedte 6 meter. Het samenvoegen van twee naast elkaar gelegen maar aparte uitwegen tot één uitweg is alleen mogelijk als de totale breedte maximaal 6 meter is of wordt. Bij woningen is één uitweg per woning toegestaan. Het terrein waartoe de uitweg aangevraagd wordt, dient minimaal 4,75 meter diep te zijn. Dit ter waarborging dat de auto volledig op eigen terrein kan parkeren. Als in het traject van de uitweg een bushokje, laadpaal of andere voorziening staat, het niet mogelijk is om daar een uitweg te realiseren. De uitweg niet mogelijk is wanneer dit betekent dat een voor de openbare verlichting aanwezige lichtmast verplaatst moet worden, die wegens de daarvoor geldende regels niet verplaatst kan worden. De aanleg van een uitweg mag niet leiden tot een vermindering van het aantal openbare parkeervakken. Veilig en doelmatig gebruik van de weg Een uitweg mag er niet toe leiden dat de verkeersveiligheid of de verkeersdoorstroming negatief beïnvloed wordt. Dit gebeurt wanneer: De uitweg ter hoogte van een opstelstrook van verkeerslichten komt te liggen. De uitweg binnen een straal van 5 meter van een kruising of splitsing van wegen komt te liggen. De uitweg op een locatie gerealiseerd wordt waar de aanliggende rijbaan van de weg dermate smal is dat de uitweg wegens te beperkte manoeuvreerruimte met een personenauto niet direct kan worden opgereden; De uitweg op een zodanige locatie gerealiseerd wordt dat de bestuurder van een voertuig op enig punt van de uitweg niet of nauwelijks zicht heeft of kan hebben op de weg, het trottoir of op fiets- en/of voetpaden; De uitweg op een locatie gerealiseerd wordt, waar deze uitkomt op het verlengde van een fiets- en/of voetgangerspad of oversteek en dat pad of die oversteek moet worden bereden om de openbare ruimte te bereiken; Bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving Voor het bepalen of een in-/uitrit zodanige gevolgen op het uiterlijk aanzien van de omgeving heeft dat de in-/uitritvergunning wordt geweigerd (artikel 2:12 lid 3 sub c), gelden onderstaande richtlijnen: Bij woningen is het parkeren van auto's in de voortuin niet toegestaan, tenzij de mogelijkheid hiervoor specifiek in het bestemmingsplan is geregeld. Bij hoekwoningen kan alleen een uitweg gemaakt worden om een auto naast of achter de woning te stallen, indien de uitweg verder aan alle voorwaarden voldoet. Als naar oordeel van het college vanuit stedenbouwkundig oogpunt met de uitweg sterk afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke belevingswaarde van het desbetreffende gebied. Bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente De kwaliteit van de woon-/werkomgeving wordt in belangrijke mate bepaald door de aanwezigheid van groen- en speelvoorzieningen. De ligging van deze voorzieningen kan conflicteren met de wens om een uitweg te realiseren. Onderstaande richtlijnen worden gehanteerd om te bepalen of de groenvoorzieningen geschaad worden door de aangevraagde uitweg: De aan te leggen uitweg doorkruist een stuk openbaar groen van meer dan twee meter breed. Op de locatie van de aan te leggen uitweg staat een boom of houtopstand, waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g. van de Wabo, vereist is en deze omgevingsvergunning niet wordt verleend. De uitweg moet minimaal 3 meter vanaf een boom worden aangelegd, tenzij onderbouwd kan worden aangetoond dat de uitweg geen schade aan de boom geeft.

Rechtspraak bij dit artikel