1. De maximale hoogte-, breedte- en lengtemaat van een gedenkteken op het particuliere urnengraf, waarbij de hoogte wordt gerekend vanaf het maaiveld, bedraagt:
a. 0,45 m x 0,50 m x 0,50 m (hoogte x breedte x lengte) op de urnengraven, aangeduid met A;
b. 0,45 m x 0,60 m x 1,00 m (hoogte x breedte x lengte) op de urnengraven, aangeduid met B.
2. Op de urnengraven aangeduid met C mogen geen gedenktekens worden geplaatst.
3. Op een particuliere urnengraf aangeduid met D mag uitsluitend een afdekplaat in lessenaarsvorm met een maximale breedte van 0,48 m en een lengte van maximaal 0,48 m worden geplaatst. De hoogte van de voorzijde bedraagt vanaf het maaiveld maximaal 5 cm en aan de achterzijde maximaal 12 cm.
4. Voor het overige is artikel 5, lid 1 en 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.
Gedenkteken op het particuliere urnengraf
Onderdeel van UITVOERINGSBESLUIT VOOR DE GRAFBEDEKKINGEN