**1..** Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en gaat in per 1 juni 2019. De regeling wordt bekendgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen door het college van Amsterdam.
**2..** Artikelen die betrekking hebben op het uitvoeren van de taken op het gebied van belastingen gaan pas in per ingangsdatum dat deze taken overgedragen worden aan de gemeente Amsterdam.
**3..** Wanneer overgegaan wordt tot een bestuurlijke fusie tussen de centrumgemeente en de gastgemeente, eindigt deze regeling per ingangsdatum van de bestuurlijke fusie.
**4..** Wijzing van de regeling kan bij gelijkluidend besluit van de bestuursorganen van beide gemeenten en na verkregen toestemming van de raden.
**5..** Opheffing/uittreding is behoudens bijzondere omstandigheden niet mogelijk vóór juni 2022. Van bijzondere omstandigheden is pas sprake als hierover tussen beide partijen overeenstemming bestaat.
**6..** Opheffing is na juni 2022 mogelijk bij gelijkluidend besluit van de bestuursorganen van beide gemeenten en na verkregen toestemming van de raden.
**7..** Een besluit tot uittreding door één der gemeenten leidt eveneens tot opheffing van de regeling. In deze situatie zijn de volledige frictiekosten van de beëindiging voor rekening van de gemeente die besluit tot uittreding.
**8..** Indien overgegaan wordt tot opheffing, zonder dat hierop een bestuurlijke fusie volgt, geven de colleges van de gemeenten gezamenlijk opdracht aan een onafhankelijk registeraccountant tot het opstellen van een opheffingsplan. Het opheffingsplan voorziet in ieder geval in de verplichting van de gastgemeente tot deelneming in de financiële en in de personele gevolgen van de opheffing en in het opheffingsplan worden frictiekosten in kaart gebracht.
**9..** Het college van de gemeente Amsterdam is belast met de uitvoering van het opheffingsplan.
Hoofdstuk
Artikel 15