Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3. › AFDELING 2.

Artikel 3.2.4.

Weigeringsgronden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Meerssen 2019

1.. Een vergunning wordt geweigerd als: de exploitant of de beheerder onder curatele staat; de exploitant of beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij de exploitant of beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweld- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt heeft; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen te werk zijn gesteld of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de vreemdelingenwet 2000; de exploitant of beheerder minder dan vijf jaren geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke straf van meer dan 6 maanden; De exploitant of beheerder minder dan vijf jaren geleden voor de dag dat vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan een rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273 f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6artikel 8 of jº artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie; artikel 69 van de Algemene Rijksbelastingen. er een maximum als bedoeld in artikel 3.2.2, lid 1, al is bereikt; de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, of een beheersverordening. 2.. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid onder h, wordt gelijkgesteld: een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. een vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,00 bedraagt. 3.. De periode van vijf jaren, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4.. Voor de berekening van de periode van vijf jaren, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan niet mee. 5.. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3.2.6, eerste lid, aanhef en ander a tot en met f, of tweede lid, onder a tot en met d, en f, of in ieder geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van 5 jaar na de intrekking; als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3.2.1 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag , mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gesteld termijn aan te vullen; als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van de prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3.3.5, eerste en tweede lid; als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3.3.5 gestelde verplichtingen zal naleven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel