Naar hoofdinhoud
1. . Een lid van het Algemeen bestuur verstrekt aan de Deelnemer die hem heeft aangewezen, alle inlichtingen die door een of meer leden van die Deelnemer worden gevraagd. 2. . Een lid van het Algemeen bestuur kan door de Deelnemer die hem heeft aangewezen, te allen tijde ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het Algemeen bestuur gevoerde beleid. 3. . Een verzoek om inlichtingen te verschaffen en/of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd, indien dit in strijd zal zijn met de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur. 4. . Een lid van het Algemeen bestuur, dat niet langer het vertrouwen geniet van de Deelnemer die hem heeft aangewezen, kan door die Deelnemer worden ontslagen. In dat geval draagt die Deelnemer er zorg voor, dat zo spoedig mogelijk een nieuw lid wordt aangewezen. 5. . Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het Vertegenwoordigend orgaan waartoe de Deelnemer behoort. 6. . Het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken de Vertegenwoordigende organen de door een of meer leden van die Vertegenwoordigende organen gevraagde inlichtingen. 7. . Het bepaalde in de voorgaande leden is op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel