Hoogte en omvang PGB
Voor de hulpvormen persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding groep en kortdurend verblijf/logeren hanteert het college maximum PGB-tarieven. De tarieven zijn gebaseerd op de AWBZ-tarieven 2014, die jaarlijks worden geïndexeerd. Voor de overige jeugdhulpvormen gelden specialistische maatwerktarieven. Ook hanteert het college gedifferentieerde tarieven bij de toekenning van PGB’s en maakt daarbij onderscheid tussen formele hulp en informele hulp:
Formele hulp geleverd door een zorgorganisatie met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao (veelal VVT): maximum (100%) PGB-tarief.
Formele hulp geleverd door een zzp’er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert: 85% van het maximum PGB-tarief.
Informele hulp geleverd door het sociale netwerk: 50% van het maximum PGB-tarief, met een maximum van € 20 per uur bij begeleiding/persoonlijke verzorging/dagbesteding en maximaal € 30 per etmaal bij kortdurend verblijf.
Het gehanteerde tarief kan naar beneden bijgesteld worden als op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. Het minimum tarief voor informele hulp wordt vastgesteld op het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.
Indien het vastgestelde PGB in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.
Om de hoogte van het PGB te bepalen, stelt het college de omvang van de individuele begeleiding en persoonlijke verzorging vast in uren maar kent deze toe in klassen. De dagbesteding wordt toegekend in dagdelen en het kortdurend verblijf in etmalen. Bij overige jeugdhulpvormen wordt de omvang gebaseerd op een eenheid passend bij de jeugdhulpvorm.
2. Overige voorwaarden PGB
De PGB budgethouder komt met de aanbieder een PGB zorgovereenkomst overeen (model SVB) waar ten minste afspraken in zijn opgenomen over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning, de inschakeling van het type hulpverlener (medewerker van cao zorgorganisatie, zzp’er/andere zorgorganisatie of sociaal netwerk) en de wijze van declareren.
Toetsing over de hoogte van de gedifferentieerde tariefstelling PGB diensten vindt vervolgens door de gemeente plaats aan de hand van de PGB zorgovereenkomst.
Verantwoording en uitbetaling van het persoonsgebonden budget diensten vindt plaats via de sociale verzekeringsbank (SVB).
De controle richt zich alleen op de besteding van het doel van het persoonsgebonden budget. Er vindt geen controle plaats of het aantal geïndiceerde uren ook overeenstemt met het door de PGB budgethouder ingekochte zorguren.
De PGB budgethouder overlegt aan de sociale verzekeringsbank de PGB-overeenkomst die met de zorgverlener is afgesloten (modelovereenkomsten SVB) en verder toont hij via nota’s aan welk budget nodig is voor de inkoop van zorgverlening, ondersteuning en overige zaken (verzekering, reiskosten, lidmaatschap Per Saldo, feestdagenuitkering) die verband houden met de diensten Jeugdwet. Het is mogelijk nota’s te overleggen van vaste maandlonen als nota’s per uur of per dag(deel).
Een gedeelte van het toegekende PGB, 1,5% met een minimum van € 250,- en maximum van € 1250,- per jaar, wordt niet voorafgaand aan besteding door de sociale verzekeringsbank gecontroleerd. Dit gedeelte wordt het vrij besteedbare bedrag genoemd. Dat bedrag is bedoeld voor (kleine) uitgaven en administratieve kosten die te maken hebben met het PGB. Ook de kosten voor arbeidsbemiddeling van een bemiddelingspartij (met een Per Saldo Keurmerk), vallen hieronder. De PGB budgethouder kan het vrij besteedbare bedrag in één keer of verspreid over meerdere momenten declareren. De sociale verzekeringsbank laat aan de PGB budgethouder weten wanneer dit mogelijk is en hoe de budgethouder dit kan doen.
Indien uit de gegevens van de sociale verzekeringsbank blijkt dat binnen een half jaar geen besteding heeft plaatsgevonden, vindt in overleg met de belanghebbende burger beëindiging of omzetting naar hulp in natura plaats.
De gemeente controleert het gebruik van het persoonsgebonden budget per kalenderjaar. Bij onderbesteding > 25% volgt een overleg met de PGB budgethouder naar de oorzaak van de onderbesteding.