De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente die zaken te regelen die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien.
1.2 Vergunningsvoorschriften
Aan de vergunning tot het gebruiken van een bepaalde locatie kunnen voorschriften worden verbonden.
Zo zal in de vergunning als voorschrift vermeld worden dat de vergunning vervalt als gedurende een half jaar geen standplaats is ingenomen, en dus ook geen gebruik van de vergunning is gemaakt. Aan de hand van het opgestelde beleid kan bovendien bij de vergunningverlening als voorschrift worden gesteld dat de vergunninghouder slechts een bepaalde soort goederen of diensten mag aanbieden (brancheverdeling).
Andere voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:
de grootte van de standplaats;
de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;
het uiterlijk aanzien van de standplaats;
tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;
opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.1.7