Naar hoofdinhoud
1.. In de plaatsingsprocedure voor functies uit functieboek 2 nemen alle medewerkers ongeacht hun huidige werkgever een gelijkwaardige positie in. 2.. Plaatsing zal plaatsvinden op basis van een gelijkblijvend aantal arbeidsuren in een ongewijzigde, passende of geschikte functie als bedoeld in artikel 2.2 lid 1. Het in deeltijd uitoefenen van een functie is geen selectiecriterium. 3.. Het vaststellen of een medewerker voor een passende of geschikte functie van functieboek 2 in aanmerking komt vindt plaats op basis van de gegevens zoals die zijn aangeleverd via de belangstellingsformulieren, eventuele gesprekken met de medewerkers en informanten. Een talentenscan of assessment is voor de bepaling van geschiktheid voor de functies geen voorwaarde, maar kan ter beoordeling van de plaatsingscommissie in overleg met de medewerker deel uitmaken van de plaatsingsprocedure. 4.. De plaatsingscommissie kan een medewerker verzoeken alsnog de talentenscan in te vullen. De medewerker is hiertoe niet verplicht. 5.. Als rangorde voor plaatsing geldt: plaatsing op een ongewijzigde functie ingeval van voldoende formatieruimte de passendheid van de medewerker voor de functie; de voorkeur van de medewerker voor bepaalde functies in relatie tot de functievereisten voor deze functie(s) de bereidheid van de medewerker om te worden geplaatst op een mogelijk geschikte functie. 6.. De plaatsingscommissie krijgt de vrijheid om binnen de kaders van de plaatsingsprocedure al het mogelijk te doen (en te laten) om voor alle medewerkers een acceptabel plaatsingsadvies te geven. 7.. In het geval er meer medewerkers zijn dan formatieplaatsen voor dezelfde functie, dan wordt voor het bepalen van de plaatsingsvolgorde het afspiegelingsbeginsel toegepast. Daarbij wordt eerst gekeken naar de medewerkers met een mens-volgt-werk-functie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel