Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.7

Het gemeentelijk beleid en de uitvoering ervan

Onderdeel van Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland houdende regels omtrent de Nota woonschepen

a. Toepassing van de regelgeving De laatste twintig jaar hebben burgemeester en wethouders enkele besluiten genomen over de toelaatbaarheid en toelating van woonboten. Onderstaand een chronologisch overzicht. In het kader van (grond ruil voor) de verbetering van de Wallen te Gorredijk hebben burgemeester en wethouders in 1975 aan enkele toenmalige aanwonenden toegezegd dat een ligplaatsverbod voor woonschepen zou worden ingesteld voor de oevergedeelten tegenover de woningen Warme Hoek 1, Warme Hoek 5, Kerkewal 61 en Kerkewal 62. Woonschepen die toen voor het perceel Kerkewal 61 lagen, mochten volgens afspraak met de eigenaar van dit perceel blijven liggen, totdat deze zouden vertrekken of de toenmalige bewoners het schip zouden verlaten. Zoals uit het overzicht onder 1.2 blijkt, wordt het merendeel van de huidige ligplaatsen al geruime tijd ingenomen. Hoe lang precies is in de meeste gevallen niet bekend, maar aangenomen moet worden dat op de meeste plaatsen al op 13 april 1979 een woonschip aanwezig was. Op deze datum trad een aanvulling van de inmiddels vervallen gemeentelijke Verordening tot regeling van de staan- en ligplaatsen van woonwagens en woonschepen in werking. Deze hield in dat schepen die op deze datum een ligplaats hadden (met toestemming van de eigenaar van het water en/of de wal), geacht werden tot wederopzegging vrijstelling te hebben voor het innemen van een ligplaats. Op 8 september 1987 hebben burgemeester en wethouders besloten dat alle woonschepen die liggen buiten de oevers in Gorredijk die hiervoor zijn ingericht in het kader van de verbetering van de zogeheten wallen in de jaren zeventig, op termijn moeten worden verwijderd. Dit betreft oevers aan de Kerkewal en hiertegenover aan De Kalkovens. Het toenmalige college legde de volgende motieven aan dit standpunt ten grondslag: - woonschepen zijn, uitzonderingen daargelaten, ongeschikt om te voorzien in een permanente behoefte aan woongelegenheid. Zij kunnen in de regel worden gekwalificeerd als drijvende woonketen, bestemd om te voorzien in een tijdelijke behoefte aan woongelegenheid. Het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer merkt woonschepen die niet door schippers en hun gezinnen als woning worden gebruikt, aan als noodwoonverblijven en stelt ze hiermee gelijk aan woonketen en stacaravans; - het uiterlijk van vele woonschepen en vaak ook de directe omgeving ervan (hokken etc. op de wal) is zo storend dat het aanzien van de buurt wordt geschaad. In hetzelfde jaar hebben burgemeester en wethouders de toestemming opgezegd aan de eigenaren van twee van de vier woonschepen die in strijd met het onder 3 bedoelde besluit aanwezig waren. Deze opzegging, die boten in Terwispel betrof, is niet geëffectueerd, noch door de eigenaren, noch - met toepassing van bestuursdwang - van gemeentewege. In de loop der jaren hebben burgemeester en wethouders - tevergeefs - gepoogd woonschepen op te ruimen door toepassing van de gemeentelijke krotopruimingsregeling. Sinds 21 april 1995 bepaalt de APV dat het innemen van een ligplaats overal is toegestaan, behalve waar burgemeester en wethouders dit hebben verboden. Voordien was voor het innemen van een ligplaats op grond van de Opsterlandse algemene politieverordening een vergunning van burgemeester en wethouders vereist. Voorzover kan worden nagegaan zijn zulke vergunningen niet verleend, ook niet voor de huidige ligplaatsen. Wel hebben burgemeester en wethouders voor enkele ligplaatsen bevestigd dat hiervoor een vrijstelling moet worden geacht aanwezig te zijn op grond van de Verordening op de staan- en ligplaatsen van woonwagens en woonschepen. b. Volkshuisvestingsplan 1990 In het Volkshuisvestingsplan 1990 is over woonschepen het volgende opgenomen. Er zijn geen ligplaatsen aangewezen in een bestemmingsplan, waar voorzieningen zoals water en electriciteit) aanwezig zijn. De nu aanwezige woonschepen worden gedoogd. Het beleid is gericht op vermindering van het aantal woonschepen door een uitsterfsysteem. Nieuwe woonschepen worden niet toegelaten. Voor de komende jaren zal dit beleid worden voortgezet. Er zullen geen middelen beschikbaar worden gesteld voor het maken van ligplaatsen en de exploitatie daarvan. Hiermee is het restrictieve beleid vastgelegd dat voor 1990 is gevoerd. Dit stoelt op de gedachte dat centraal dat wonen op het land om redenen van goede volkshuisvesting voorop moet (blijven) staan.

Rechtspraak bij dit artikel