Naar hoofdinhoud
Op 1 juli 2017 trad de “Wet aanpak woonoverlast” in werking. Daarmee werd een nieuw artikel toegevoegd aan de Gemeentewet, namelijk artikel 151d. Op grond van dat artikel kan de raad bij verordening bepalen om aan de gebruiker van een woning of een daarbij behorend erf de plicht op te leggen om er voor te zorgen dat er door gedragingen in of vanuit die woning of op dat erf, of in de onmiddellijke nabijheid ervan, geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Deze bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt op grond van artikel 151d, lid 2, uitgeoefend door de burgemeester. Deze zorgplicht geldt dan ook ten aanzien van degene die een woning of erf tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de basisadministratie personen is ingeschreven. Als de raad besluit om de zorgplicht op te leggen, krijgt de burgemeester daarmee de bevoegdheid om op de naleving ervan te handhaven door middel van het opleggen van een gedragsaanwijzing (last onder bestuursdwang). De raad van Voorschoten heeft bij besluit van 7 december 2017 besloten om toepassing te geven aan de in artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet bedoelde bevoegdheid. De raad besloot artikel 2:79 toe te voegen aan de APV Voorschoten 2010 (hierna: APV). Artikel 2:79 APV bepaalt dat de burgemeester beleidsregels moet vaststellen met betrekking tot de wijze waarop de bevoegdheid zal worden uitgeoefend. Aan deze bepaling wordt uitvoering gegeven door middel van de “Beleidsregel aanpak woonoverlast Voorschoten 2019” (hierna: Beleidsregel). De bevoegdheid geldt niet ten behoeve van de handhaving van de openbare orde, maar maakt het mogelijk om in bestuursrechtelijke zin te interveniëren in verhoudingen tussen buren, wanneer die gespannen zijn als gevolg van het veroorzaken van ernstige en herhaaldelijke hinder (woonoverlast). De wetgever geeft geen definitie van het begrip “ernstige hinder”, maar heeft het omschreven met voorbeelden van gedragingen die zich als ernstige hinder kunnen voordoen. Dit biedt de mogelijkheid om het begrip ruim toe te passen. Hinder kan zich voordoen in veel verschillende vormen. Om geen enkele vorm van hinder uit te sluiten, is in de Beleidsregel gekozen voor de opname van een niet-limitatieve opsomming van soorten hinder. In de Beleidsregel staat in hoofdlijnen omschreven in welke gevallen, onder welke voorwaarden en hoe de burgemeester gebruik zal maken van het instrument gedragsaanwijzing. Ter verduidelijking van de bestuurlijke gedragslijn gaat de Beleidsregel eerst nog kort in op de samenhang met artikel 151d Gemeentewet. Vervolgens wordt het procedurele kader geschetst waarbinnen de burgemeester een afweging zal maken of en zo ja, op welke wijze de bevoegdheid tot het geven van een gedragsaanwijzing wordt toegepast en een concrete invulling krijgt. De Beleidsregel draagt bij aan de duidelijkheid omtrent de in de APV opgenomen zorgplicht en komt tegemoet aan het vereiste van voorzienbaarheid, dat inhoudt dat de burgers de mogelijkheid moeten hebben om hun gedrag af te stemmen op de op hen rustende zorgplicht. In de wet staat dat de bevoegdheid tot het geven van een gedragsaanwijzing pas aan de orde is indien de geconstateerde “ernstige en herhaaldelijke hinder” (woonoverlast) niet op een andere geschikte wijze kan worden bestreden. Zolang er andere bevoegdheden of methoden van aanpak beschikbaar zijn, mag er geen gedragsaanwijzing worden gegeven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel