Woonruimte van verhuurders met een huurprijs beneden de huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag mag enkel voor bewoning door een huishouden in gebruik worden genomen of gegeven als daarvoor een huisvestingsvergunning is verleend.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
woonruimte van verhuurders die in de gemeente drie of minder woningen beneden de huurtoeslaggrens verhuren;
onzelfstandige woonruimte;
inwoning;
woningruil met toestemming van de verhuurder;
verhuizen binnen hetzelfde complex met toestemming van de verhuurder;
zorgwoningen;
dienstwoningen;
woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a tot en met d, van de Leegstandwet;
woonruimte die verhuurd wordt op basis van een tijdelijk huurcontract als bedoeld in de artikelen 7:271 eerste lid onder a, en 7:274c tot en met 7:274f van het Burgerlijk Wetboek;
ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.