In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;
2. houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.37
Definities
Onderdeel van ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2019 GEMEENTE SON EN BREUGEL