Dit hoofdstuk regelt de rechtspositionele gevolgen van de gelijkstelling van levenspartners aan echtgenoten van gehuwde ambtenaren. Artikel 21:1:1 bepaalt onder welke voorwaarden een levenspartner van een ambtenaar gelijk wordt gesteld aan een echtgeno(o)t(e). Het gaat daarbij om:
de ter uitvoering van de CAR en deze regeling vastgestelde regelingen met betrekking tot:
aanspraken op salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens militaire dienst;
het verlof met behoud van salarisbetaling wegens persoonlijke of familieomstandigheden;
de uitkering bij overlijden van de ambtenaar, waarbij voor de toepassing van artikel 8:16:3 de levenspartner als gezinslid wordt aangemerkt;
de bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering bij overlijden van de wachtgelder;
de bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:
het recht op een uitkering;
de uitkering bij overlijden van betrokkene;
de bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de verhuiskosten-, de reiskosten- en de pensionkostenvergoeding;
de bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering bij overlijden van de gewezen ambtenaar.
Omdat er niet wordt verwezen naar de bepaling die het buitengewoon verlof regelt bij een huwelijk, kan er geen sprake zijn van het verlenen van buitengewoon verlof bij het ondertekenen van een samenlevingscontract.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 21
De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving (T)
Onderdeel van Gemeente Bergeijk - CAR/UWO