Een huisvestingsvergunning voor een woonwagenstandplaats vervalt:
één maand nadat de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de vergunning geen gebruik meer te willen maken;
onmiddellijk nadat de huurovereenkomst voor de standplaats is beëindigd en/of de vergunninghouder de standplaats heeft verlaten;
Indien niet binnen twee maanden na verlening van de huisvestingsvergunning de vergunninghouder beschikt over een daarvoor vergunde woonwagen, of dat de werkzaamheden zijn gestart om een vergunde woonwagen op de woonwagenstandplaats te realiseren.
HOOFDSTUK 5.
Artikel 22.