Aan een vergunning als bedoeld in artikel 30van de verordening kunnen voorwaarden en voorschriften worden verbonden over:
de geldigheidsduur van de vergunning;
de periode waarbinnen van de vergunning gebruikt moet worden;
een geordend woon- en leefmilieu van de woonruimte dan wel de omgeving van de woonruimte, waar de aanvraag betrekking op heeft;
goed verhuurderschap.
HOOFDSTUK 6.
Artikel 32.