** 1. .** Burgemeester en wethouders kunnen de huisvestingsvergunning weigeren, indien:
het huishouden niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2:3;
het huishouden als gevolg van het verlenen van de huisvestingsvergunning meer dan één woonruimte in gebruik zal krijgen, tenzij burgemeester en wethouders toestaan dat het huishouden vanwege verkoop van een woonruimte tijdelijk twee woonruimten in gebruik mag hebben waarvan feitelijk slechts één woonruimte wordt bewoond;
het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal nemen;
een andere woningzoekende op grond van deze verordening met voorrang voor deze woonruimte in aanmerking komt;
de woonruimte is gelegen in een actiegebied;
burgemeester en wethouders bepalen dat het een woonruimte betreft waarvoor, gezien de fysieke inrichting of de ruimtelijke positie van de woonruimte een specifieke indicatie noodzakelijk is en de aanvrager niet over deze indicatie beschikt;
de woonruimte niet passend is op grond van artikel 2:6;
de aanvraag toeziet op een woonruimte aangewezen in artikel 5:27, tenzij er op grond van artikel 5:28 een vergunning is verleend of op grond van artikel 5:31 een ontheffing op het verbod van artikel 41 van de Huisvestingswet 2014 is verleend;
de aanvraag toeziet op gebruik van een zelfstandige woonruimte dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders als onzelfstandig wordt aangemerkt.
** 2. .** In afwijking van het eerste lid, onder d, weigeren burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning niet, indien:
de medehuurder, doordat de huurder de woonruimte verlaat, huurder wordt;
er sprake is van een voorgenomen ruil van woonruimte;
vervalt.