Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.1

Artikel 2.1.2

Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder b, van de verordening

Onderdeel van Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland houdende regels omtrent urgentieverklaringen (Beleidsregel urgentieverklaringen Midden-Delfland 2019)

Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem waarvoor indeling in een urgentiecategorie mogelijk is, bij de volgende op zichzelf staande situaties: de huidige woning verkeert in een slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit; de aanvrager ervaart (geluids)overlast in de woning; de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager; de aanvrager kan door medische klachten de huidige woning of behorende tuin niet meer zelf onderhouden; de aanvrager wil of moet vanwege werk verhuizen; de aanvrager ervaart problemen, omdat de aanvrager met of zonder kinderen inwoont bij een ander huishouden; de aanvrager of diens partner is zwanger; de aanvrager is gescheiden of de samenwonende- of partnerrelatie is verbroken, de aanvrager woont in een onzelfstandige woonruimte; de aanvrager wordt uit detentie vrijgelaten; de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst; de aanvrager woont in onderhuur; de aanvrager is of wordt dakloos; de aanvrager wil een woning met voldoende ruimte in het kader van co-ouderschap of bezoekregeling voor kinderen na scheiding of verbroken partnerschap; de aanvrager heeft psychische problemen als gevolg van één of meer van de hierboven genoemde omstandigheden.

Rechtspraak bij dit artikel