Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 12.

Draagkrachtruimte en draagkracht

Onderdeel van Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht

1. De draagkrachtruimte is het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantiegeld en de voor rekening van belanghebbende blijvende noodzakelijke kosten, bedoeld in lid 7 van dit artikel, gerekend over de draagkrachtperiode; 2. De draagkracht wordt gevormd door: a. een percentage van de draagkrachtruimte; b. vermeerderd met het vermogen op het moment van de aanvraag, voor zover dit niet ingevolge het artikel 34 van de wet worden vrijgelaten. 3. Bij de vaststelling van de draagkracht ingevolge dit hoofdstuk blijft de Langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 36 van de wet buiten beschouwing. 4. Bij de vaststelling van de draagkracht ingevolge dit hoofdstuk blijft de vakantietoeslag buiten beschouwing. 5. Het inkomen boven de bijstandsnorm wordt verminderd met het buiten beschouwing te laten bedrag van de particuliere oudedagsvoorziening, bedoeld in artikel 33 lid 5 van de wet, alsmede de bedragen die met toepassing van de artikelen 6 en 7 van deze richtlijnen worden verstrekt, indien belanghebbende uitsluitend op een inkomen uit of op het niveau van de algemene bijstand is aangewezen. 6. De draagkracht als bedoeld in lid 2 bedraagt: a. 5% van de draagkrachtruimte bij een inkomen tot en met 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; b. 30% bij een inkomen groter dan 110%, maar kleiner dan of gelijk aan 200% van de toepassing zijnde bijstandsnorm; c. 100% bij een inkomen groter dan 200% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 7. De navolgende voor rekening van belanghebbende blijvende noodzakelijke kosten worden op de draagkrachtruimte in mindering gebracht: a. kosten voor aanschaf van duurzame gebruiksgoederen (wasmachine, koelkast, gasfornuis, ledikant plus bodem en een matras), waaronder rente en aflossing van noodzakelijke schulden; b. overige kosten die op grond van dit hoofdstuk voor vergoeding in aanmerking kunnen komen; c. de eigen bijdrage thuiszorg; d. de eigen bijdrage aan de rekenhuur na aftrek van de normhuur, de huurtoeslag, en andere ontvangen vergoedingen en tegemoetkomingen die samenhangen met de betaling van de huur e. de eigen bijdrage aan de nominale premie voor de zorgverzekering, na aftrek van de ontvangen zorgtoeslag en de normpremie van € 34 voor een alleenstaande en € 81 voor gehuwden en samenwonenden. f. derdenbeslag op periodieke inkomsten; g. de aflossing in het kader van een minnelijke schuldregeling of Wsnp; h. 5% van de inkomsten uit tegenwoordige arbeid die de aanvrager en diens partner ontvangen. 8. De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand, waarin de bijstand wordt aangevraagd en duurt: a. twee jaar, indien bijstand wordt gevraagd in de kosten van duurzame gebruiksgoederen en de belanghebbende niet behoort tot een der categorieën, genoemd in lid 9; b. één jaar in de gevallen waarin de belanghebbende behoort tot een der categorieën belanghebbenden genoemd in lid 9, en in alle overige gevallen. 9. Als bijzondere categorie belanghebbenden, als bedoeld in lid 8 worden aangemerkt: a. gezinnen met een of meer schoolgaande kinderen in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar, die zijn aangewezen op een inkomen met een maximum van 110% van de toepasbare bijstandsnorm; b. belanghebbenden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt die zijn aangewezen op een inkomen uit een AOW-pensioen met eventuele aanvullende pensioen- of lijfrente-uitkering tot een totaal van maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm; c. belanghebbenden die zijn aangewezen op een Waz-, Wajong-, WAO- of WIA-uitkering met eventuele aanvullende inkomsten tot een maximum van 110% van de toepasbare bijstandsnorm; d. belanghebbenden, die gedurende een aaneengesloten periode van minimaal twee jaar buiten eigen toedoen uitsluitend zijn aangewezen op een ander inkomen dan in de voorgaande leden is bedoeld, met een maximum van 110% van de toepasbare bijstandsnorm.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel