Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 17.

Woninginrichting

Onderdeel van Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht

1. Voor bijstandsverlening komen de noodzakelijke kosten van inrichting van een woning in aanmerking, als de belanghebbende behoort tot een van de volgende doelgroepen en feitelijk geen goederen en/of middelen bezit om een woning in te richten: a. personen die een verblijfsvergunning hebben gekregen en op basis van de taakstelling huisvesting vluchtelingen voor de eerste maal in Utrecht een woning krijgen; b. personen die na afloop van een Voorlopige Vergunning tot Verblijf (VVTV) in Utrecht een woning betrekken; c. daklozen, die opnieuw een woning betrekken; d. personen die na vertrek uit een vrouwenopvanghuis opnieuw een eigen woning gaan betrekken; e. personen die uit een langdurige detentie of (psychiatrische) opname komen en opnieuw een woning betrekken; f. personen die hun huis hebben vervuild en waarbij de GG&GD een schoonmaakoperatie heeft uitgevoerd; g. overige personen die op grond van individuele omstandigheden aan een in a t/m f genoemde persoon kunnen worden gelijkgesteld. 2. De bijstand voor woninginrichting wordt uitgekeerd in de vorm van een uitkering om niet. De hoogte hiervan is forfaitair vastgesteld en afhankelijk van het soort huishouden en het soort woning, dat wordt betrokken. 3. Een reeds eerder binnen een periode van 10 jaar verstrekt bedrag aan inrichtingskosten, wordt in mindering gebracht op het in lid 2 genoemde bedrag. 4. De hoogte van de te verstrekken bedragen, zoals genoemd in lid 2, wordt door het college vastgesteld.

Rechtspraak bij dit artikel