Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 10.

Weigeringsgronden

Onderdeel van Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Eersel 2019

Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: als de cliënt geen ingezetene is van de [naam gemeente] als deze niet hoofzakelijk op cliënt gericht is; als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden, begeleiding (waaronder persoonlijke verzorging) of kortdurend verblijf; voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, of een algemene voorziening de hulpvraag kan oplossen; als de voorziening algemeen gebruikelijk is; als voor de hulpvraag die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, recht bestaat op een voorziening op grond van een andere (wettelijke) bepaling of regeling; als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend; als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de economische afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken uitzonderingen om de maatwerkvoorziening alsnog toe te kennen: als de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; als de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; als de verstrekte voorziening niet langer een oplossing voor cliënt biedt om zelfredzaam te zijn en te kunnen participeren. als deze gezien de beperkingen van de cliënt, niet veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt of anti-revaliderend werkt. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen. Tenzij het gaat om het bezoekbaar maken van de woning; ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; als de reden om te verhuizen niet is gelegen in het opheffen van de beperking in de zelfredzaamheid en participatie; als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, terwijl dit redelijkerwijs wel van hem kon worden gevraagd, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.

Rechtspraak bij dit artikel