De gemeente heeft de taak en opdracht om zorgvuldig onderzoek te doen naar de hulpvraag. Tijdens het onderzoek naar de hulpvraag wordt het volgende onderzocht:
I. wat is de hulpvraag van de cliënt;
II. welke gemeente is verantwoordelijk op grond van het woonplaatsbeginsel;
III. behoort de cliënt tot de doelgroep van de jeugdwet;
IV. welke beperkingen/problematiek ondervindt de cliënt;
V. welke hulp is nodig;
VI. in hoeverre zijn de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend;
VII. kan de cliënt aanspraak maken op voorliggende voorzieningen;
VIII. kan de cliënt aanspraak maken op algemene voorzieningen;
IX. is er specifieke deskundigheid vereist, in dat geval zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. De gemeente hoeft alleen een voorziening voor jeugdhulp te treffen als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is wegens opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.
In het kader van het onderzoek naar de hulpvraag geldt het uitgangspunt dat de jeugdige wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Tijdens het gesprek worden de jeugdige en/of zijn ouder(s) geïnformeerd over de gang van zaken tijdens het onderzoek, hun rechten en plichten (bijvoorbeeld met betrekking tot de privacywetgeving en de verwerking van de persoonsgegevens) en er wordt uitleg gegeven over het vervolg van de procedure. De jeugdige en/of zijn ouder(s) worden geïnformeerd over de manier waarop zij eventueel een aanvraag kunnen doen voor een individuele voorziening. Indien nader onderzoek noodzakelijk is, dan worden zij hierover geïnformeerd.
Artikel 2.2.3.1 Aandachtspunten tijdens het onderzoek
De jeugdige of zijn ouder(s) kan problemen ondervinden op verschillende leefgebieden. Uitgangspunt bij het onderzoek naar de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) is dat gebruik gemaakt wordt van het normenkader van Factum Advies (FAQT-J). Het normenkader ondersteunt bij het in kaart brengen van de aandachtspunten per leefgebied bij de jeugdige en bij het in kaart brengen van wat nodig is om de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouders/opvoeders en het sociaal netwerk te versterken. Het normenkader biedt tevens handvaten bij de afweging wat naar het oordeel van het college nodig is voor de jeugdige en/of ouder(s). Daarnaast bevat het een richtlijn bij het bepalen van de aard en omvang van de in te zetten ondersteuning als uit het onderzoek blijkt dat inzet van een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk wordt geacht. Het college maakt bij toepassing van FAQT-J gebruik van bijlagen 1, 2 en 3# aandachtspunten resultaatgebieden jeugdige, bijlage 4# aandachtspunten ouderschap, bijlagen 5, 6 en 7# richtlijnen jeugdige, bijlage 8# richtlijn ouderschap, bijlage 9# onderscheid licht, matig en zwaar bij deze beleidsregels.
Artikel 2.2.3.2 Geen optelsom
Het kan zijn dat uit het onderzoek naar de hulpvraag blijkt dat op meerdere leefgebieden te behalen doelstellingen te formuleren zijn waarvoor geen oplossing gevonden kan worden binnen de eigen kracht (eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen), voorliggende of algemene voorzieningen. Voor wat betreft de omvang van de individuele voorziening voor jeugdhulp is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar worden opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van de doelstelling is leidend. Zo kan bijvoorbeeld in een bepaalde volgtijdelijkheid worden gewerkt aan de te bereiken doelstellingen omdat naar het oordeel van het college het niet mogelijk wordt geacht om alle leefgebieden tegelijkertijd aan te pakken. Ook kan inzet van hulp op een bepaald leefgebied indirect tot een oplossing van een probleem leiden op een ander leefgebied. Daarnaast kan de te bereiken doelstelling ertoe leiden dat binnen de duur van de indicatie of na een verzoek om verlening van de jeugdhulp wordt afgeschaald naar een lagere intensiteit. Daar waar de individuele situatie dat noodzaakt kan gemotiveerd van de richtlijn worden afgeweken.
Artikel 2.2.3.3 Normaliseren
In het onderzoek naar de hulpvraag staat centraal wat de oorzaak achter de vraag van de jeugdige/ouder(s) is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen in het algemeen beschouwd kunnen worden als horende bij de ontwikkeling van de jeugdige gelet op de ontwikkelingsfase waarin deze zich bevindt. Voor normaliseren geldt:
• Kwetsbaarheid, problemen en tegenslagen horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost.
• Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen.
• Het uitgangspunt is door het versterken van opvoedvaardigheden en de kennis over opvoeden de acceptatie van de jeugdhulpvraag of beperking door ouders te vergroten.
• Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouders en jeugdige wordt gekeken.
• Als het gaat om de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten rondom normaliseren:
o Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid voor een doeltreffende inzet van voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen (medewerkingsplicht). Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag.
o De Jeugdwet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt. Dit kan betekenen dat we naast jeugdhulp direct gericht op het kind hieraan de voorwaarde stellen dat ouders meewerken aan interventies of een traject gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen.