In de Wmo 2015 zijn geen terugvorderingsgronden opgenomen voor de situaties waarin de Pgb-aanbieder buiten opzettelijk handelen van de cliënt om ten onrechte Pgb gelden heeft ontvangen. Op grond van artikel 5.6 van de verordening gaat het college over tot terugvordering van het Pgb bij de Pgb-aanbieder indien de Pgb-aanbieder:
ten onrechte heeft gedeclareerd voor ondersteuning, welke niet of niet volgens de gestelde voorwaarden is verleend;
Het Pgb heeft ingezet voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt;
De maatwerkvoorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet.
Het gaat om situaties waarbij de cliënt niet opzettelijk de inlichtingenplicht heeft geschonden, maar in gevallen waarbij er onwetendheid was bij de cliënt, de cliënt door de Pgb-aanbieder misbruikt, gemanipuleerd of onder druk gezet is.
Ad a.
De Pgb-aanbieder kan ten onrechte ondersteuning declareren tijdens afwezigheid van de cliënt of de Pgb-beheerder, waarbij niet de cliënt maar de Pgb-aanbieder de urenbriefjes ondertekent door bijvoorbeeld in het bezit zijn van de Digi-D code van de cliënt. Het kan gaan om ondersteuning die niet is verleend tijdens bijvoorbeeld de vakantieperiode of ziekte. Ook kan het gaan om situaties waarbij het totale jaarbudget is verbruikt, terwijl bijvoorbeeld de ondersteuning halverwege het jaar beëindigd wordt.
Ad b.
Indien de ondersteuning is ingezet voor een ander doel, dan de doelen zoals omschreven in het ondersteuningsplan, dan is er geen juiste ondersteuning geboden en kan het college het Pgb bedrag bij de zorgverlener terugvorderen. Denk hierbij onder andere aan het enkel verrichten van welzijnsactiviteiten, het niet inzetten van deskundig personeel, het geven van cadeaus aan cliënten in plaats van ondersteuning, het gebruiken van Pgb gelden voor persoonlijk gewin zonder het bieden van kwalitatief goede ondersteuning.
Ad c.
Hierbij kan gedacht worden aan vakantiereisjes naar het buitenland of uitstapjes.
Het bedrag van de terugvordering moet aan de gemeente betaald worden. Als uitgangspunt geldt dat het college een betalingstermijn biedt van zes weken. Het college is bevoegd een afbetalingsregeling te treffen met Pgb-aanbieder en/of om uitstel van betaling te verlenen.
Waar mogelijk kan het college overgaan tot verrekening van de vordering met (financiële) aanspraken die de Pgb-aanbieder op het college heeft.
Het besluit tot terugvordering heeft geen executoriale titel. Als de Pgb-aanbieder in gebreke blijft om de vordering binnen de gestelde termijn te betalen, dan moet het college –nadat zij de Pgb-aanbieder schriftelijk heeft aangemaand- een dwangbevel uitvaardigen. Dit gebeurt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hiervoor is een deurwaarder nodig. Als de Pgb- aanbieder het niet eens is met een dwangbevel dan kan hij daartegen geen bezwaar of beroep instellen. Wel kan hij in verzet komen, bij de voorzieningenrechter van de rechtbank, sector civiel. Het verzet wordt aanhangig gemaakt in een dagvaardingsprocedure.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.4
Terugvorderen bij de Pgb-aanbieder
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Almelo 2019