Het onderzoek vormt de kern van de intakeprocedure. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht.
In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. In ieder geval wordt de wettelijke vertegenwoordiger betrokken en de jeugdige van 12 jaar en ouder, hetgeen nauw verband houdt met het instemmingsvereiste in artikel 2.7, vijfde tot en met zevende lid. Er wordt van uit gegaan dat persoonlijk (mondeling) contact tussen de gemeente en jeugdige en of zijn wettelijke vertegenwoordiger plaatsvindt. In het tweede lid, onderdelen I tot en met IX, zijn de onderwerpen van het gesprek benoemd. Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige en/of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen.
In het derde lid is vastgelegd dat zo nodig, met instemming en op verzoek van de jeugdige en of zijn met gezag belaste ouder(s) informatie kan worden ingewonnen bij andere instanties, zie artikel 2.7 van de Jeugdwet.
In het zevende lid is vastgelegd dat het college de cliënt informeert over de mogelijkheden te kiezen voor een Pgb. Deze informatieplicht volgt uit artikel 8.1.6 van de wet.
In het negende lid is bepaald dat de weergave van het onderzoek schriftelijk verstrekt wordt aan de cliënt. Een goede weergave van het onderzoek maakt het voor het college inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een individuele voorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.
Artikel 2.7 Aanvraag
Deze bepaling bevat nadere regels over hoe een aanvraag kan worden ingediend. Uitgangspunt is dat cliënten pas een aanvraag indienen nadat het onderzoek als bedoeld in artikel 2.6 is uitgevoerd.
Cliënten dienen een aanvraag in door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. In het tweede lid is echter ook de mogelijkheid opgenomen om een ondertekend verslag als aanvraag aan te merken. Dit om onnodige administratieve lasten te voorkomen.