De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is op grond van artikel 2.12 van de wet aan de gemeente om in de verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Voor dit artikel in de verordening is aansluiting gezocht bij de corresponderende bepaling hierover in de verordening maatschappelijke ondersteuning.
De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. In het tweede lid wordt bepaald dat met Pgb ingekochte hulp en ondersteuning aan dezelfde kwaliteitseisen moet voldoen als jeugdhulp die door de gemeente zelf wordt ingekocht. Deze gelijkschakeling geldt niet voor jeugdhulp die wordt verleend door een persoon uit het sociaal netwerk, maar geldt slechts ten aanzien van bedrijfsmatig verleende jeugdhulp. Aangezien voor deze categorie ook een hoger tarief geldt dan voor jeugdhulp uit het sociaal netwerk is het stellen van deze eisen gerechtvaardigd. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.10 van de wet.