Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn (artikel 2.3 Jeugdwet). Om die reden wordt onderscheid gemaakt tussen hulp die als gebruikelijk kan worden aangemerkt en bovengebruikelijke hulp. Bij gebruikelijke hulp gaat het om hulp waarbij het naar algemeen aanvaardbare maatstaven gangbaar wordt geacht dat ouders en familieleden die aan de jeugdige bieden. Alleen bij bovengebruikelijke hulp kan aanspraak bestaan op een jeugdhulp-voorziening. Het gaat dan om hulp en zorg die substantieel intensiever is dan wat gemiddeld gebruikelijk is bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd.
Een Pgb kan ingezet worden voor hulp die verleend wordt door iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige. Allereerst geldt dan dat voldaan moet zijn aan de wettelijke voorwaarden. Het college kan slechts een Pgb verlenen als (artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet):
gemotiveerd wordt dat het natura-aanbod niet passend is;
jeugdige/ouders voldoende in staat zijn de Pgb-taken uit te voeren (eventueel met hulp van derden);
de hulp die wordt ingekocht van goede kwaliteit is.
Vooral de beoordeling van het laatste punt, de kwaliteit van de ingekochte hulp, kan bij de inzet van het sociaal netwerk soms reden zijn het Pgb te weigeren.
Het college moet dus altijd onderzoeken welke hulp de jeugdige nodig heeft. Het gaat dan niet alleen om de vorm, frequentie en duur. Ook moet beoordeeld worden of de situatie van de jeugdige professionele hulp noodzakelijk maakt, of dat de jeugdige de doelen ook kan bereiken als er hulp wordt geboden door iemand uit het sociaal netwerk.
Als de beoordeling van de situatie van de jeugdige tot de conclusie leidt dat – gelet op zijn specifieke problematiek – alleen professionele hulp een doeltreffende oplossing voor de hulpvraag biedt, dan kan deze hulp niet door iemand uit het sociaal netwerk worden geboden. Professionele hulp betekent immers niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en de betreffende professional de noodzakelijke diploma’s heeft, maar ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Een ouder (of andere persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige) kan door zijn persoonlijke relatie met de jeugdige (meestal) niet volledig objectief en onafhankelijk handelen. De kwaliteit van de hulp die hij/zij de jeugdige kan bieden is in dat geval onvoldoende.
Artikel 5.5
Pgb voor ondersteuning door sociale netwerk
Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Almelo 2019