1. De bestuurlijke boete wordt afgestemd op de draagkracht van belanghebbende door de fictieve draagkracht te vermenigvuldigen met 24 maanden in geval van opzet, 18 maanden in geval van grove schuld, 12 maanden in geval van normale verwijtbaarheid en 6 maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid.
2. Onder fictieve draagkracht wordt verstaan de financiële ruimte boven 90% van de toepasselijke uitkeringsnorm op het moment van het opleggen van de bestuurlijke boete.
3. Indien belanghebbende geen inkomen heeft of het inkomen bedraagt minder dan 90% van de uitkeringsnormen alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, dan wordt uitgegaan van een bestuurlijke boete van € 45,00 x het toepasselijk aantal maanden.
4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid geldt voor de belanghebbende die ten tijde van het opleggen van de bestuurlijke boete andere inkomsten heeft dan een uitkering en géén medewerking verleent om inzicht te geven in de hoogte van de inkomsten, dan bedraagt de bestuurlijke boete de maximale boete zoals vastgesteld in artikel 3 van deze beleidsregels en indien van toepassing artikel 6 van deze beleidsregels.
5. Invordering vindt plaats conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarbij rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet.
6. Indien er ten tijde van het opleggen van de boete blijkt dat er bij belanghebbenden sprake is van aangetoond vermogen, dan kan er ten behoeve van de afstemming van de boete van worden uitgegaan dat het aangetoonde vermogen geheel beschikbaar is om de boete te voldoen. Het deel van de boete, dat het aangetoonde vermogen overschrijdt, kan op grond van dit artikel worden afgestemd.
Artikel 5
Vaststellen draagkracht
Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Best 2019