Persoonlijke vervoersbehoefte
Wanneer een melding wordt gedaan in verband met een vervoersprobleem wordt er onder meer gekeken naar de zelfstandige vervoersbehoefte van de cliënt. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. Er zijn twee terreinen waarop een belemmering van vervoer mogelijk is:
Vervoer op korte en middellange afstand (tussen de 0 en 1500 meter); in de woonomgeving, het loop- en fietsvervoer.
Vervoer op langere afstand (1500 meter tot +/- 20 km); de afstand waarvoor personen zonder beperking het openbaar vervoer zouden nemen.
Het is mogelijk dat de cliënt op beide afstanden belemmeringen ondervindt. Dit kan tot gevolg hebben dat de cliënt voor beide terreinen gecompenseerd moet worden.
Omvang (rolstoel)taxivervoer (CVV) en alternatieve vervoersvoorziening
Voor zowel het (rolstoel)taxivervoer als een alternatieve vervoersvoorziening geldt een maximum aan het aantal kilometers dat cliënten per jaar kunnen reizen (extra gereden kilometers worden niet door het college vergoed). Bij het maximum aantal kilometers wordt rekening gehouden met de combinatie van het CVV of de alternatieve vervoersvoorziening met het gebruik van een hulpmiddel t.b.v. vervoer (bijvoorbeeld een scootermobiel of fietsvoorziening):
Zonder extra hulpmiddel is het maximaal aantal kilometers 1500 kilometer;
Met extra hulpmiddel is het maximaal aantal kilometers 750 kilometer.
Omvang autoaanpassing
In het geval van autoaanpassingen (m.u.v. een speciale autostoel), moet de noodzaak van de aanpassingen ten behoeve van een volwassene blijken uit de zogenaamde restreintbepalingen die het Centraal Bureau Rijvaardigheden (CBR) op het rijbewijs heeft gezet. Restreintbepalingen zijn de beperkende voorwaarden waaraan de auto van een persoon met een beperking moet voldoen. Als de auto door middel van aanpassingen niet voldoet aan die bepalingen mag de persoon waar het over gaat, niet met die auto rijden.
Een auto zal slechts worden aangepast indien aannemelijk is dat de auto nog (minimaal) 7 jaar gebruikt kan worden en deze in het bezit is van de cliënt of iemand binnen de leefeenheid. Hierbij wordt overigens wel afgewogen wat de kosten van de aanpassing zijn in relatie tot de leeftijd van de auto. Indien de verwachting is dat de auto op basis van de leeftijd geen 7 jaar meer mee gaat, kan het aanpassen van de auto mogelijk toch worden uitgevoerd als er sprake is van relatief lage kosten voor de aanpassing.
Bij een verzoek tot vervanging van de autoaanpassing zal te allen tijde worden beoordeeld of de aanpassingen technisch en ergonomisch gezien aan vervanging toe zijn. Het is niet per definitie de bedoeling om autoaanpassingen elke zeven jaar te vervangen.
Bij vervanging van de auto dient, bij autoaanpassingen die uitwisselbaar zijn, bekeken te worden of de aanpassingen overzetbaar zijn. Eenzelfde aanpassing wordt in principe maximaal eens per zeven jaar verstrekt. Bovendien zal worden beoordeeld of cliënt nog steeds is aangewezen op een dergelijke voorziening of dat er gezien de gewijzigde omstandigheden een andere, mogelijk goedkopere, oplossing noodzakelijk is.
Omvang hulpmiddel
Wanneer na onderzoek blijkt dat een hulpmiddel noodzakelijk is in verband met de vervoersbehoefte van de cliënt, wordt door de adviseur de categorie van het hulpmiddel bepaald (volgens de categorie-indeling zoals afgesproken met de leverancier, bijvoorbeeld in het geval van een scootermobiel: in en om de woning, standaard, extra geveerd en bijzondere uitvoering, of in het geval van een fietsvoorziening: volwassene en kind, tweewielers of driewieler, met of zonder hulpmotor, zitunit kind) en wordt er, indien nodig, een programma van eisen opgesteld.
Er wordt een verzoek bij de leverancier ingediend voor passing en selectie van de goedkoopste maatwerkvoorziening gezien de aandoeningen, beperkingen en belemmeringen in relatie tot de vervoersbehoefte van de cliënt.
Hoofdstuk 10.
Artikel 39.