Naar hoofdinhoud
Indien de eigen kracht van een inwoner niet voldoende is (bijvoorbeeld als gevolg van een beperking) of als de problematiek van dien aard is dat een inwoner dat niet alleen kan oplossen zal in eerste instantie een beroep gedaan moeten worden op het sociaal netwerk van de inwoner. Het sociale netwerk kan bestaan uit familieleden, bekenden, buren et cetera. Hierbij wordt er onderscheid gemaakt tussen gebruikelijke hulp en boven gebruikelijke hulp. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning als redelijkerwijs van cliënt zelf of van zijn sociale netwerk kan worden verwacht dat zij bij kunnen dragen aan het bereiken van het resultaat. Gebruikelijke hulp op het gebied van huishoudelijke ondersteuning Van gebruikelijke hulp op het gebied van huishoudelijke ondersteuning is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die onderdeel uitmaakt van de leefeenheid van de cliënt en die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen. Voor gezonde jonge huisgenoten geldt: Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden; huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien); huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien) en hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen); huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen; schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren. Bij een aantal leefsituaties kan er mogelijk geen/beperkt sprake zal zijn van gebruikelijke hulp: Kamer huren bij cliënt: Als een cliënt een kamer verhuurt aan een derde wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend. Het gaat hierbij om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huur- of kostgangerovereenkomst liggen. Bij een huurder of kostganger wordt, ondanks dat ze niet tot de leefeenheid behoren, wel gekeken naar het gebruik van de gemeenschappelijke of gezamenlijk te gebruiken ruimtes (bv. toilet, badkamer, keuken). De huurder is zelf verantwoordelijk voor het schoonhouden van de door hem gehuurde kamer. De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(n) schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten. Geclusterd wonen: Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in één huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. Met andere woorden; de cliënt vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. Het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten dient te worden herverdeeld over de overige huisgenoten. Leef- en woongemeenschappen: Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in één gebouw én vormt hiermee wel een leefeenheid. Met andere woorden; cliënt vormt een duurzaam huishouden met de huisgenoten. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud. Een voorbeeld hier van zijn kloostergemeenschappen waarbij er sprake is van een leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname. In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer. Het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten dient te worden herverdeeld over de overige huisgenoten. Redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een aanspraak op een maatwerkvoorziening. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Gebruikelijke hulp op het gebied van begeleiding Bij gebruikelijke hulp op het gebied van begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties. Kortdurende situaties: Hiervan is sprake als er begeleiding plaats vindt van de cliënt door de inwonende partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot waarbij er uitzicht is op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat de cliënt daarna niet langer is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Langdurige situaties Hiervan is sprake als er begeleiding plaats vindt van een volwassen cliënt door inwonende partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot waarbij het gaat om een chronische situatie. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt: Het geven van begeleiding aan een cliënt op het terrein van de maatschappelijke participatie; het begeleiden van cliënt bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort; het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte cliënt werd uitgevoerd. Gebruikelijke hulp voor kinderen Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over ondersteuning, verzorging en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Oppas en ondersteuning van gezonde kinderen vallen in principe niet onder de Wmo. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de ondersteuning en verzorging van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat er door mantelzorgers opgevangen kan worden, en wat vrijwilligers, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen opvangen. Kinderopvang/crèche en buitenschoolse opvang wordt als voorliggende voorziening gezien indien het gaat om oppas en ondersteuning van gezonde kinderen. Hierbij wordt opvang tot 5 dagen per week redelijk geacht voor kinderen vanaf 3 maanden. In samenspraak met de jeugdprofessionals wordt afgestemd welke (kortdurende) ondersteuning vanuit welke regelgeving ingezet moet worden. Uitzonderingen gebruikelijke hulp Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan of studie een huishouden te kunnen runnen. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Uitzonderingen hierop zijn: Fysieke afwezigheid in verband met werk: Er wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn (bijvoorbeeld bij internationaal vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de offshore of mariniers). Het gaat namelijk te ver deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid dient echter wel te voldoen aan de volgende kenmerken: Het is inherent aan het werk; heeft een verplichtend karakter. Medisch geobjectiveerde aandoening/beperking: Als uit objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, stoornis of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden, is gebruikelijke zorg niet van toepassing. (Dreigende) overbelasting 1 Uit jurisprudentie blijkt dat onderzoek naar enkel de medische situatie van de huisgenoot niet toereikend is. Er moet ook een beeld gevormd worden van de overige factoren die kunnen leiden tot (dreigende) overbelasting. Denk daarbij aan de aard en intensiteit van de verleende zorg, tezamen met de medische problematiek van de cliënt. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde maatwerkvoorziening, dient men alles in het werk te stellen die overbelasting op te heffen door deze zorg door andere ondersteuningsverleners uit te laten voeren/in te kopen.: (Dreigende) overbelasting kan worden veroorzaakt door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Met andere woorden; in exact dezelfde situatie zal de ene huisgenoot wel overbelast kunnen raken, terwijl een andere huisgenoot hier geen of minder last van heeft. Het is daarom van belang zorgvuldig onderzoek te plegen naar de verhouding tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting) en symptomen die kunnen wijzen op overbelasting. In veel gevallen wordt een medisch adviseur daarbij ingeschakeld ter beoordeling. In principe zal overname van huishoudelijke taken voor een korte duur zijn, te denken valt aan 3-6 maanden. In deze periode wordt de leefeenheid de gelegenheid gegeven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. (Dreigende) overbelasting door het verlenen van zorg: Als een huisgenoot aangeeft dat er sprake is van (dreigende) overbelasting door de combinatie van (huishoudelijk) werk én de verzorging van een zieke huisgenoot, dienen deze klachten te worden geobjectiveerd. Het oordeel van een arts is hierbij noodzakelijk naast het horen van de huisgenoot. Daarbij dienen onderstaande zaken onderzocht te worden: Is er sprake van onplanbare zorg? Worden meer uren zorg geleverd dan geïndiceerd (bieden van mantelzorg)? Heeft huisgenoot mogelijk een (deel van een) betaalde baan opgezegd om Zvw-zorg te verlenen? Draaglast en draagkracht. (Dreigende) overbelasting na overlijden partner in gezinssituatie: Indien een cliënt aangeeft overbelast te zijn door de combinatie van werk en de verzorging van de inwonende kinderen, vanwege het plotseling overlijden van de andere (inwonende) ouder, kunnen (enkele) huishoudelijke taken kortdurend worden overgenomen. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de leefeenheid de gelegenheid wordt gegeven de taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. (Dreigende) overbelasting bij korte levensverwachting cliënt: In terminale situaties is overleg met de huisgenoten over wat draagbaar is zeer belangrijk. In deze situaties mag er soepeler worden omgegaan met het principe gebruikelijke zorg. Indien er door (dreigende) overbelasting geen gebruikelijke zorg van iemand wordt verwacht geldt het volgende: Wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke zorg, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke zorg voor op die maatschappelijke activiteiten. Wel dient onderzocht te worden in hoeverre de maatschappelijke activiteiten nodig zijn voor het welbevinden van de zorgverlener en zo juist (dreigende) overbelasting voorkomen. Uitzondering hierop is de gebruikelijke zorg geleverd door inwonende kinderen. Bij gebruikelijk hulp van een inwonend kind is altijd een zorgvuldige afweging vereist, waarbij rekening wordt gehouden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen en de veerkracht van het kind. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbesteding en de schoolprestaties. Mantelzorg Mantelzorg is zorg die wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving/sociaal netwerk waarbij: de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en; de zorg niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt verleend. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en of intensiteit aanmerkelijk overschreden (boven gebruikelijke hulp). Mantelzorg heeft geen verplichtend karakter; als de mantelzorger aangeeft de boven gebruikelijke zorg niet (meer) vrijwillig te willen leveren of de cliënt wil niet ondersteund worden door een mantelzorger, dan kan dit niet worden verplicht. Om een mantelzorger te ondersteunen kan een beroep worden gedaan op de Wmo. Dit betekent dat bij dreigende overbelasting van de mantelzorger, ondersteuning kan worden geboden. Het goed ondersteunen van mantelzorgers voorkomt vaak dat zwaardere ondersteuning nodig is, omdat mantelzorgers dan langer en beter in staat blijven de mantelzorg vol te houden en zwaardere ondersteuning uitgesteld kan worden. De gemeente waar de cliënt woont aan wie de mantelzorger hulp biedt, is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de mantelzorger. Om mantelzorgers goed te kunnen ondersteunen, zodat zij hun belangrijke taak kunnen volhouden, is het van belang dat er tijdens het onderzoek (zie artikel 3) integraal gekeken wordt naar de situatie van de cliënt, de mantelzorger en (de rest van) het sociale netwerk. Tijdens het onderzoek wordt ook het verlenen van mantelzorg in beeld gebracht om te beoordelen of hier ook ondersteuning nodig is. Als mantelzorgers tijdelijk of permanent niet meer in staat zijn om mantelzorg te bieden, kan er indien nodig een maatwerkvoorziening worden ingezet, zoals bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning, (extra)dagbesteding of kortdurend verblijf (respijtzorg). Ingeval een mantelzorger hulp verleent aan een persoon die op grond van de Wet langdurige Zorg (Wlz) zorg ontvangt, is het uitgangspunt dat de ondersteuning van deze mantelzorger op basis van de Wlz plaatsvindt, zodat in het aldaar af te spreken arrangement ook de mantelzorger betrokken wordt en aandacht krijgt. Uiteraard kan de mantelzorger als ingezetene van een gemeente ook gebruik maken van daar bestaande algemene voorzieningen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel