De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Een van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat hij gebruikelijke hulp biedt, overbelast is (geraakt) en niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Verwezen wordt naar de bijlage 2 van deze beleidsregels.
Het verlenen van gebruikelijke hulp gaat voor op het ondernemen van maatschappelijke activiteiten. Dat wil zeggen dat indien (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten die al dan niet in combinatie met een fulltime (werk- en/of school)week ondernomen worden, het uitvoeren van deze maatschappelijke activiteiten de ouder, partner of huisgenoot niet ontslaat van het leveren van gebruikelijke hulp.
Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden, is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet.
Om gemotiveerde redenen kan door het college afgeweken worden van de regel dat gebruikelijke hulp afdwingbaar is.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.2.