Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Vermogensvaststelling bij giften en smartengeld

Onderdeel van Beleidsregels vermogensvaststelling Participatiewet 2019

1. . Giften en vergoedingen die bestemd zijn voor het algemene levensonderhoud worden als middelen in aanmerking genomen voor zover deze op jaarbasis de voor een belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm overschrijden. 2. . Verstrekkingen uit steunfondsen voor de minima tot een bedrag van € 1.500,- per kalenderjaar worden als gift aangemerkt. 3. . Giften met een specifieke bestemming of doel die niet het karakter hebben van vrije besteding kunnen worden vrijgelaten tot een bedrag van € 1.500,- per kalenderjaar. Gedacht wordt hierbij aan bijvoorbeeld studiekosten, schulden, vioollessen enz.. 4. . Smartengeld voor materiële schade wordt zolang het een vergoeding is voor de materiele schade in principe vrijgelaten tenzij: het een vergoeding voor inkomstenderving betreft. het een vergoeding voor vervanging van beschadigde bezittingen betreft en de bezittingen zelf tot het vermogen gerekend zouden zijn. 5. . Smartengeld voor immateriële schade wordt voor zover dit naar het oordeel van het college uit het oog van bijstandsverlening verantwoord is, in principe niet tot de middelen gerekend (artikel 31, lid 2 onder l en m Participatiewet). Het college vindt het smartengeld verantwoord zolang de hoogte hiervan niet het saldo van 3 keer de van toepassing zijnde vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet overschrijdt. Het meerdere wordt meegeteld als vermogen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel